Tegen de taal is geen kruid gewassen

Antjie Krog heeft een indrukwekkend boek geschreven over de kracht van het verhaal in een Zuid-Afrika dat worstelt met de erfenis van de apartheid. In journalistieke reportages werpt ze, beter dan haar collega's, licht op de noodzaak van medemenselijkheid, en op de problemen daarvan.

Waaruit bestaat de identiteit van een land? In Nederland stelt men zich die vraag door een wedstrijd te organiseren wie de grootste vaderlander aller tijden is geweest. Ook in Zuid-Afrika worstelt men met de vraag, op een geheel eigen manier. Zo werd onlangs in een artikel in de krant The Star betoogd dat zwarten moesten ophouden met zeuren omdat na tien jaar democratie de economische ongelijkheid niet langer te wijten was aan de apartheid, maar aan de eigen lethargie. Deze stelling riep uiteraard de nodige reacties op. Eén briefschrijver legde uit dat de ongelijkheid in het land niet in 1948 begon met de winst van de Nasionale Party en de geïnstitutionaliseerde apartheid, maar al in 1652 met de komst van Jan van Riebeeck. Zo'n lange geschiedenis kon niet in tien jaar ongedaan worden gemaakt. Het was weliswaar geen hoogstaande, maar toch een leerzame discussie.

Ook bij gerenommeerde Zuid-Afrikaanse auteurs als Antjie Krog, André Brink en Karel Schoeman – in twee recent verschenen en een recent vertaald boek – komt de identiteitskwestie aan de orde. Krog steekt daarbij met kop en schouders boven de anderen uit, maar ook die zijn interessant. Zo stelt Schoeman in Merksteen. Een dubbelbiografie dat zich `bij blanke Zuid-Afrikanen over het algemeen, naarmate het heden grimmiger en de toekomst onzekerder wordt, een toenemende belangstelling voor het verleden [ontwikkelt], en ook al kunnen deze toegewijde onderzoekers dat wat ze ontdekken niet altijd begrijpen of beoordelen, het streven naar inzicht, begrip en uiteindelijk ook naar zelfkennis is niet alleen nuttig, maar ook noodzakelijk'.

Schoeman begint bij de levens van zijn grootouders, het echtpaar Van Rooijen, dat aan het eind van de negentiende eeuw uit Nederland naar Bloemfontein verhuisde. In zijn pogingen om enige context te geven aan hun verhaal, merkte hij dat het portret (onbedoeld, beweert hij in de inleiding) uitdraaide op een cultuurhistorisch verhaal over de Nederlandse en Zuid-Afrikaanse maatschappij in die tijd. Merksteen is dus in meer dan één opzicht een dubbelbiografie: van twee mensen, twee culturen en twee landen. Het is een sympathieke, goed gedocumenteerde onderneming, maar nogal onevenwichtig (`Wat wilde ik met dit boek? Ik weet het niet meer', vraagt de schrijver zich halverwege af).

Affaires

Zelfkennis is ook voor Chris Minnaar, de hoofdpersoon van André Brinks laatste roman Before I forget de sleutel tot begrip van zijn land. `Minnaar' is de roepnaam van een personage wiens herinneringen voornamelijk bestaan uit een reeks korte en minder korte affaires. Doordat hij het bed heeft gedeeld met activisten, kunstenaars en zelfs met een spion die hem verlinkt heeft, kan je stellen dat Minnaar het met de hele naoorlogse politiek van Zuid-Afrika heeft gedaan. Elke keer loopt de relatie stuk en Minnaar realiseert zich dat de enige geliefde die hij nooit in de steek zal laten Zuid-Afrika zelf is.

Dat klinkt al clichématig, maar in werkelijkheid is het nog erger. Before I forget is wazige SBS6-porno met een politiek sausje. Zelfs de oorlog in Irak wordt seksueel geduid. Minnaar verbaast zich over de embedded journalisten, die alleen de informatie van de Amerikaanse voorlichting doorgeven. Met andere woorden: de journalist verkracht de beschadigde waarheid, en na afloop beseft de schrijvende dat hij de waarheid nooit zal kennen.

Verder verwijderd van de positie van een embedded journalist dan schrijfster Antjie Krog is, lijkt nauwelijks denkbaar. Als er één boek is dat op allerlei manieren vrijheid uitstraalt, dan is het wel haar Een andere tongval: vrijheid van stijl, onderwerp, bron en invalshoek. Krog doet wat Schoeman doet (graven in het verleden), maar beter. En eigenlijk doet ze ook wat Brink wil (de persoonlijke geschiedenis combineren met de politiek), maar zij overtuigt wél. `Het is moeilijk manoeuvreren tussen waarneming en waarheid in dit land' formuleert ze de uitdaging voor dit boek. Wil ze toch de juiste balans vinden dan zal ze die in taal moeten zoeken, meent ze.

Wat Krog aan de orde stelt in Een andere tongval grenst aan het ongelooflijke. Ze zoekt in haar eigen autobiografie naar inzicht over hoe zij geworden is tot wie ze is, ze beschrijft de problemen van ubuntu (medemenselijkheid) en zet ook de vele verschillende visies neer van Zuid-Afrikanen tussen de eerste vrije verkiezingen en het presidentschap van Mbeki. De cynische mening over de landhervormingen van een blanke boer staat tegenover en naast die van een grootmoeder die van een pensioen veertien kleinkinderen moet onderhouden, en naast de verhalen van optimistische medewerkers van Mandela.

De kracht van teksten en verhalen ontdekte Krog al vroeg toen ze voor het eerst kennismaakte met poëzie, maar ook dankzij de stukjes die haar moeder voor een plaatselijk krantje schreef waarin een vervormde weergave van het gezinsleven wordt gegeven. Verbijsterd is Antjie wanneer ze bijvoorbeeld haar moeders versie leest van een vreselijke middag bij een modeshow in Kaapstad. Deze show wordt in een duur restaurant gehouden terwijl haar moeder met vier kleine kinderen nietsvermoedend wat wil drinken. Ze kunnen er niet meer uit en moeten de verkleedpartij uitzitten. De kinderen worden ongedurig, moeten plassen, wat niet kan, en daarom wordt het vloerkleed onder de tafel dus maar bevuild. Het bestelde eten is binnen de kortste keren naar binnen gewerkt.

In geuren en kleuren beschrijft de moeder het voorval in het krantje en ze concludeert dat wanneer ze deze ellende had moeten ondergaan in de buurt van Afrikaners iemand haar wel zou hebben geholpen. Engelsen daarentegen doen alsof hun neus bloedt, moppert ze: `Ze negeren [de kinderen] gewoon. Aan omringende tafeltjes worden hoofden opvallend omgedraaid of men kijkt recht door ons heen alsof we onzichtbaar waren'. Wanneer de dochter haar moeder erop wijst dat er Afrikaners en geen Engelsen naast hen zaten, blijkt het de moeder vooral om Afrikaans chauvinisme te gaan. Wanneer Krog als scholiere zelf gedichten gaat schrijven, roepen die weerstand op bij dezelfde Afrikaanse boerengemeenschap omdat de verzen pornografisch en blasfemisch zouden zijn.

De kracht van taal ervaart Krog nog sterker op latere leeftijd wanneer ze als journalist de verkiezingen en verhoren van de Waarheid- en Verzoeningcommissie verslaat, of tijdens haar interviews met bewoners en politici, onder wie Nelson Mandela. Het tv-interview met hem verloopt rampzalig omdat Krog naar de drijfveren van de persoon Mandela op zoek is, terwijl hij juist hamert op solidariteit en het individu wil uitschakelen. Hier blijkt duidelijk dat blank en zwart niet dezelfde betekenis aan woorden toekennen, en het verschil wordt nog extra benadrukt door de te grote hoeveelheid witte poeder die door de grimeur op het gezicht van Krog is aangebracht.

Mali

Naast haar journalistieke werk en haar activiteit als vertaalster van Mandela's autobiografie in het Afrikaans, zijn het vooral de optredens als dichter waarmee Krog de `transformerende' waarde van verhalen ontdekt. Het hoogtepunt van dit inzicht wordt bereikt tijdens een reis met een `poëziekaravaan' door Mali. Hier ziet ze bevestigd hoe ruzies en conflicten dankzij verhalen en gedichten kunnen leiden `tot verrijkende inzichten en uiteindelijk tot vrede [...] Met het litteken van onze tongen schrijven we het land onder onze voeten. We schrijven een landschap van adem. Ons woord ruikt menselijk, onze tongen proeven Afrika. Schrijven is behoren.'

Om een eigen bijdrage aan de ontwikkelingen te geven, is Krog ten slotte in haar indrukwekkende relaas behalve eerlijk ook verrassend droogkomisch. Over haar vader wordt bijvoorbeeld verteld: `Na 1990 waren er nog maar twee Nasionale Party-leden over: jouw vader en F.W. de Klerk. Na 1994 bleef alleen je vader over'. De beginscène over zwarten die opeens mogen meedoen aan atletiekwedstrijden maar de spelregels niet kennen, is hilarisch.

Na lezing van Een andere tongval ben je inderdaad geneigd te zeggen dat verhalen vertellen inzicht biedt in de identiteit van een land. Niet de quasi-politieke porno van Brink – maar het onderzoek van Schoeman en vooral de grandioze caleidoscopische reportage van Krog geven misschien zicht op een kans van slagen.

Antjie Krog: Een andere tongval. Vertaling Robert Dorsman. Contact, 432 blz. €29,90

Karel Schoeman: Merksteen: een dubbelbiografie. Vertaling Riet de Jong Goossens. De Arbeiderspers, 366 blz. €22,50

André Brink: Before I forget. Secker & Warburg, 312 blz. €27,95