Rebellen weg uit Falluja maar problemen blijven

In Falluja zijn de rebellen uit hun paradijs verdreven, zeggen de VS. Maar elders gaat de opstand tegen het Amerikaans-Iraakse gezag onverminderd door.

Het Amerikaanse offensief in de West-Iraakse stad Falluja ,,heeft de rug van de opstand gebroken'' in Irak, zo heeft de Amerikaanse generaal John Sattler gisteren verklaard. ,,Er is geen paradijs meer'' voor de rebellen in Falluja, en ,,ik geloof dat het heel moeilijk voor hen zal worden om hun acties te hervatten'', zei hij op een videoconferentie met journalisten in Washington.

Sattler, commandant van de mariniers in Irak, legde uit dat de rebellen die erin zijn geslaagd uit Falluja te ontsnappen, onder wie overigens de meeste leiders, voortaan op onbekend terrein moeten opereren. Verder zullen er in en bij Falluja voldoende troepen achterblijven om te garanderen dat de toestand er niet opnieuw uit de hand loopt. Zij zullen pas vertrekken naarmate Iraakse veiligheidsdiensten de stad onder controle krijgen.

Heeft generaal Sattler gelijk? Voorlopig lijken de opstandelingen zich weinig van zijn uitspraak aan te trekken. Terwijl Sattlers mariniers in Falluja in het offensief gingen, lanceerden rebellen in talrijke sunnitische steden aanvallen. Delen van de grote noordelijke stad Mosul kwamen – tijdelijk – in handen van opstandelingen, het centrum van Ramadi werd rebellenland, in het zojuist gepacificeerde Samarra sloeg het geweld weer toe.

Een van de grootste problemen, waarmee ook generaal Sattler in Falluja te maken krijgt, blijft de onbetrouwbaarheid van de Iraakse veiligheidsdiensten. In Mosul gaven agenten hun bureaus zonder slag of stoot aan rebellen over, gingen naar huis of sloten zich bij hun aanvallers aan. Een lid van de provinciale raad van Niniveh waarvan Mosul de hoofdstad is, heeft tegen het persbureau AP verklaard dat de Amerikanen niet luisteren naar advies. ,,We hebben de Amerikanen verteld dat veel leden van de politie samenwerken met de terroristen.''

Samarra is een soortgelijk geval. De stad werd de eerste dagen van oktober in een Amerikaans offensief van zijn rebellen gezuiverd, maar de nieuwe politiemacht was al snel weer verdampt. Nieuwe guerrilla-aanvallen plus intimidatie eisten hun tol, evenals rivaliserende politiecorpsen. Zowel in Mosul als in Samarra is in verband hiermee vorige week de politiechef ontslagen.

Aan de basis van het politieprobleem liggen onzorgvuldige selectie – er waren en zijn snel veel agenten nodig – en hun slechte uitrusting. Onzorgvuldige selectie heeft ervoor gezorgd dat tienduizenden incompetente manschappen in dienst zijn genomen; hun gebrekkige materieel bewerkstelligde dat ze des te sneller deserteerden. De Iraakse autoriteiten hebben de selectie nu althans ten dele overgenomen, wat de resultaten zou verbeteren omdat zij in tegenstelling tot de Amerikanen van de plaatselijke gebruiken en feilen op de hoogte zijn. Hoe dan ook zal het nog geruime tijd duren voor er een niet door rebellen geïnfiltreerde, competente politiemacht zal zijn. Dat wordt straks ook het probleem in Falluja: het samenstellen van een veiligheidsdienst waarvan de leden zich niet na kortere of langere tijd bij de rebellen aanmelden. Dat gebeurde immers ook in april toen de leden van de Iraakse veiligheidseenheid die na het eerste, halverwege gestaakte, Amerikaanse offensief was gevormd, zich bij de tegenpartij aansloten of naar huis gingen.

Een tweede zwakke punt blijft de impopulariteit van de interim-regering. Volgens opiniepeilingen geniet interim-premier Iyad Allawi, een ex-balling, nauwelijks steun bij de bevolking, onder de sunnieten nog minder dan onder de shi'ieten – Allawi is zelf een shi'iet, zij het een ex-Ba'athistische seculiere shi'iet. Krijgen de rebellen nu een (doods)klap door de val van hun bolwerk Falluja, zoals generaal Sattler betoogt, en krijgt de Iraakse overheid een kans? Of komt nieuwe aanwas voor de opstandelingen toestromen omdat de interim-regering zich in sunnitische ogen eens te meer met de Amerikanen heeft geëncanailleerd en omdat de sunnitische minderheid toekomstige shi'itische overheersing vreest?

Om het anti-Amerikanisme niet nog verder op te voeren en de eigen positie te behoeden, zijn de Amerikaanse en Iraakse autoriteiten de laatste dagen in elk geval zeer voorzichtig omgegaan met de civiele verliezen van Falluja. De militaire verliezen zijn geen geheim: tot nog toe zijn 51 Amerikaanse militairen gesneuveld en acht Iraakse (die werden niet in de frontlinies ingezet). Volgens de Amerikanen zijn er verder 1.200 tot 1.600 rebellen gedood, waarvan overigens behalve de mededelingen geen verdere bevestiging is. Er zijn ook meer dan 1.000 opstandelingen aangehouden, zeggen de Amerikanen. Van hen zijn niet meer dan 5 procent buitenlanders, wat interessant is gezien de beschuldigingen dat Falluja vooral een buitenlandse-terroristennest was.

Maar over burgerverliezen wordt nauwelijks iets gezegd. De Amerikanen hebben gemeld dat er maar enkele doden onder de burgerbevolking zijn; Allawi zelfs dat er helemaal geen burgerdoden zijn gevallen. Inderdaad is het grootste deel van de 300.000 inwoners van Falluja voor het offensief gevlucht. Toch melden journalisten in het gebied wel degelijk doden onder burgers, echter zonder tot een totaalcijfer te kunnen komen. De Rode Halve Maan, islamitische tegenhanger van het Rode Kruis, werd niet tot de stad toegelaten. De autoriteiten hebben kennelijk lering getrokken uit de golf van anti-Amerikanisme die tijdens het offensief van april over het land sloeg door de berichten over honderden burgerdoden.

Nu is hulp het parool. Elke terugkerende familie krijgt 100 dollar vergoeding. zo is bekendgemaakt, en voor herstel van de aanzienlijke gevechtsschade is meer dan 170 miljoen dollar uitgetrokken.

De televisiebeelden van het doodschieten van een gewonde rebel door een Amerikaanse marinier vormden bij deze operatie om de publicitaire schade te beperken een zware tegenvaller. Het is geen toeval dat Allawi meteen en in scherpe bewoordingen de Amerikaanse autoriteiten ter verantwoording riep.