Meisje zijn als beroepskeuze

Het gezicht dat glimlacht op de achterkant van de bundel is een gezicht dat zo bekend is van literaire festivals en manifestaties en de naam op de omslag is zo bekend van verschillende publicaties, met name van een aantal bloemlezingen in samenwerking met de Utrechtse dichter Ingmar Heytze, dat het bijna een verrassing is dat Vitrine van Vrouwkje Tuinman een debuut is. Het gevoel van ongeloof zet zich voort bij de lectuur. De gedichten in deze bundel zijn, zeker voor een debuut, verrassend geacheveerd, doordacht, technisch vaardig en uitgebalanceerd. Tuinmans voornaamste wapen is de combinatie van helderheid en suggestie:

De man van de griesmeelpannenkoeken

zegt iets tegen mij. De man de bakker.

Ik heb hem niet verstaan verdiept

in het vooruitzicht van mijn volle maag.

Veilig vol hij zegt het nogmaals

en ik schaam me. Je laat niet iemand

twee keer zeggen jij ziet goed uit.

Hij zegt ik mooi. Dat verstaan.

Zou hij weten hij is de eerste die tegen

mij praat vandaag - nooit spreken met

volle mond - dat het de derde pannenkoek

is deze week. Hij vraagt of ik getrouwd.

Dit is het gedicht `Jij ziet goed uit vandaag.' Op het eerste gezicht is het weinig meer dan een onschuldige anekdote, naverteld in klare taal. Maar het eerste gezicht bedriegt. Dit is geen gedicht dat je na één keer lezen glimlachend dan wel schouderophalend terzijde kunt leggen. De syntaxis van de pannenkoekenbakker suggereert iets over zijn herkomst wat haaks staat op zijn oerhollandse professie. Dat de dichter zichzelf in de tweede regel corrigeert en `de man' bij zijn beroep noemt, benadrukt op slinkse wijze vooral dat hij een man is, hetgeen relevant is voor het vervolg. Bijna achteloos wordt de volle maag geassocieerd met veiligheid, waardoor duidelijk wordt dat de ikfiguur zich op het moment dat in het gedicht is beschreven niet veilig voelt. We zouden kunnen denken dat dit te maken heeft met de etnische aanblik die de crêpeur biedt. In dat geval is het des te wranger dat hij eigenlijk alleen maar iets liefs wil zeggen.

Maar tegen het einde van het gedicht krijgen we steeds meer het gevoel dat er iets anders mis is met de ikfiguur dan eventuele onwillekeurige ethische vooroordeeltjes, iets met eenzaamheid, iets waardoor je drie keer per week griesmeelpannenkoeken gaat eten omdat je je anders onveilig voelt, iets waardoor de vraag of je getrouwd bent, pijnlijk is. Maar naar de precieze toedracht mogen we raden. De diepere onrust onder deze schijnbaar onschuldige anekdote blijft in het domein van de suggestie en precies daarom werkt dit gedicht.

Iets vergelijkbaars gebeurt in het korte gedicht `Grosso modo':

Er had evenveel zon geschenen als ik

geen meisje maar boer was geworden.

Daar stond ik op het land mijn handen in

mijn zakken. Daar ging de trein.

Stoptrein van kwart over twee en straks

kwart voor drie. 's Avonds was ik

niet alleen. Jij was er niet.

Wederom weinig meer dan het is, op het eerste gezicht. Maar wederom bedriegt het eerste gezicht. Het gedicht draait om de paradox: `als ik een ander was, was ik niet alleen want dan was jij er niet.' Het wrange aan deze paradox is niet alleen dat zij niet waar is, maar ook dat zij op twee manieren niet klopt. Ten eerste zou de `jij' er nog steeds zijn als de `ik' een ander was, al zou de `ik' dan wellicht van de `jij' geen weet hebben. Ten tweede zou het niet helpen, want hoe je het wendt of keert, de avond blijft zonder de `jij'. Door de situatie als deze paradox te formuleren wordt in elk geval één ding pijnlijk duidelijk: `jij' bent er niet en dat zal niet veranderen. Dit is slim, maar het gedicht wint nog meer aan kracht door de wijze waarop de centrale paradox met sprekende details is gestoffeerd. Er is sprake van een stoptrein die trouw op een neer blijft rijden, naar we vermoeden tussen `ik' en `jij', zonder dat de reis nabijheid teweeg kan brengen. Waarschijnlijk ziet de `ik' een eerzame landarbeider door het raampje van de boemel en beschrijft het gedicht een denkbeeldige rolverwisseling. Het is grappig dat de `ik' zich beschrijft als iemand die `een meisje' is `geworden', alsof het hier een beroepskeuze betreft die evengoed anders had kunnen uitpakken. Maar het is meer dan grappig, want ook treffend. In haar smachtende heen-en-weer-geforens is zij inderdaad in de kern van de zaak, uit eigen vrije wil, `een meisje geworden.' Tenslotte is het slim om te openen met `er had evenveel zon geschenen', omdat dit suggereert dat de denkbeeldige gedaanteverwisseling niets zou uitmaken. Bovendien zet de verwijzing naar zonneschijn ons op het verkeerde been, omdat we daardoor ten onrechte verwachten dat de onveranderlijke situatie zonnig is.

Wie iets zou willen afdwingen op deze bundel, zou precies dit zelfde argument hanteren: de gedichten zijn geacheveerd, kundig en slim, terwijl je misschien wel eens iets zou willen lezen dat vervaarlijk kraakt in zijn voegen of mis tast in het grote gebaar. Maar ik wil niets afdingen op deze bundel. Hier past respect.

Vrouwkje Tuinman: Vitrine. Nijgh & Van Ditmar, 51 blz. €14,95