Meester, u bent nu toch niet bang geworden?

De moord op Van Gogh versterkt het zwart-wit denken onder allochtonen. Maar na dertig jaar struisvogelpolitiek wordt het hoog tijd dat leerlingen op zwarte scholen leren nuanceren, meent Gerard Hundman.

Hoewel ik de positieve boodschap van het artikel van Kees Beekmans (NRC Handelsblad, 12 nov.) geheel kan onderschrijven, vind ik toch dat hij geneigd is tot bagatelliseren.

Ook bij ons op het Terra College in Den Haag hebben we de afgelopen weken veel aandacht besteed aan de moord op Theo van Gogh. Het lijstje met mogelijke oorzaken van geweld is ook bij ons te vinden. Velen voelen zich buitengesloten, gecriminaliseerd en gedemoniseerd. Dat zijn geen prettige zaken om mee geassocieerd te worden. Zeker niet op jonge leeftijd en al helemaal niet voor jongeren die hangen tussen de cultuur die ze van huis uit mee krijgen en de open en geseculariseerde Nederlandse samenleving. Dat dit bij een aantal van hen ongenuanceerde reacties oproept, is dan ook niet gek.

Ook op onze school zijn er voldoende Hafida's te vinden en kunnen we ons troosten met de gedachte dat zolang er kinderen als Hafida zijn, het allemaal wel goed zal komen.

Maar pas op! Laten we nou niet gaan denken dat de Hafida's zomaar de toekomst zullen gaan bepalen. Dertig jaar hebben we onszelf met dit soort naïef idealisme en deze struisvogelpolitiek voor de gek gehouden. Als we nu nog niet wakker geworden zijn, worden we het nooit.

Onze leerlingen, die op een bijna geheel zwarte vmbo-school zitten, zijn vanwege de eerder genoemde oorzaken uiteraard geneigd tot zwart-wit denken. Daar moet dus iets aan gedaan worden. Omdat ik al eerder met derdejaars-leerlingen de film Submission had bekeken en besproken, was het eenvoudig om de discussie rond de moord op Theo van Gogh bespreekbaar te maken. Ik wist ongeveer welke reacties ik kon verwachten: gespiegelde generalisaties (,,De kaaskoppen willen ons dissen, nou, dissen wij de kaaskoppen [...]'') en allerlei complottheorieën. Zo werd er gepraat over de moord op een 18-jarige Marokkaan in Den Haag op de dag na de moord op Van Gogh. Deze moord zou door een Hollander zijn gepleegd, maar werd volgens deze jongen door de media verzwegen. Omdat de jongen in kwestie aanzien binnen de groep had en hij zijn mening met overtuiging wist te brengen, werd het gerucht door de meerderheid van de groep als waar aangenomen. Op mijn vraag waar hij die informatie vandaan had, antwoordde hij ietwat geschrokken, dat hij het ,,ergens op teletekst'' had gelezen. Hij keek me strak aan en zei dat hij ,,echt niet loog''. Ik zei dat ik hem geloofde en vroeg of hij het misschien als gerucht had gehoord. ,,Zou ook kunnen, mees. Ik ga het nog wel uitzoeken.''

Na twee vermoeiende maar boeiende weken heb ik geleerd dat het niet alleen gaat om de dialoog te zoeken of hardere maatregelen te treffen. Het laatste wordt toch weer opgevat als wij worden nu door hen gestraft voor iets dat maar een paar van ons hebben gedaan. Een dialoog én harde maatregelen, allebei zal dat vast wel moeten, en ook op onze school wordt aan beide punten serieus aandacht besteed.

Ik denk dat, naast het zoeken van een dialoog en een hardere aanpak, de school een voortrekkersrol zou kunnen spelen bij het leren zoeken naar de nuance. Zelfreflectie en zelfkritiek zijn hierbij onontbeerlijk. Hoe hebben wij anders tot zo'n tolerante samenleving kunnen uitgroeien?

Tijdens mijn lessen maatschappijleer kunnen leerlingen in principe zeggen wat ze willen. Tegelijkertijd deins ik er niet voor terug om ze de klas uit te sturen wanneer ze de fatsoensnormen overtreden. `Opzouten' is het dan. Zoals ook het geval was bij een leerling die onder het mom van `Dit is toch ook vrijheid van meningsuiting' vertelde hoe graag hij de voeten van Mohammed B. wenste te kussen. Bovendien had hij een raptekst op internet geplaatst die zo gewelddadig was dat deze door de redactie van de betreffende site is verwijderd. Na een goed gesprek bleek het met de jongen nog wel mee te vallen, maar, eerlijk gezegd, weet ik ook niet meer zo goed wat ik tijdens mijn lessen wel en niet kan zeggen zonder te denken aan de gevoeligheden van dit moment. Toen een leerling vroeg ,,U bent toch niet bang geworden?'', antwoordde ik dat ik niet echt bang ben (want dan zou ik met dit werk stoppen), maar dat ik me soms niet goed raad weet met sommige agressieve en gewelddadige uitspraken. Ook aarzel ik om `alweer' een moslimonderwerp aan te snijden. Hoe goed ken ik mijn leerlingen? Speciaal met instromers (nieuwe leerlingen die van een andere school komen) is dit moeilijk. Hoe belangrijk vinden ze de bespreking van deze problemen werkelijk?

Toch blijf ik erbij dat we op school onze leerlingen zelfkritiek en zelfreflectie moeten bijbrengen. Want je kunt ze wel degelijk voor onderwerpen interesseren. Toen ik laatst uitlegde dat de kerken en overheden in ons land al vijfhonderd jaar proberen om te gaan met maatschappijkritische lieden als Theo van Gogh, kreeg ik de volle aandacht. Toen ik vervolgens vertelde dat, juist door die lange voorgeschiedenis, Nederlanders nu niet zo goed weten hoe ze moeten omgaan met de bijna 1 miljoen moslims in hun land, die maar weinig weten van deze voorgeschiedenis, was het muisstil. Je kon ze horen denken.

Ik ben het met Beekmans eens dat we inderdaad niet al heftig moeten reageren op de ongenuanceerde uitspraken van leerlingen. Wat we echter niet uit het oog mogen verliezen, is het feit dat we midden of misschien zelfs aan het begin staan van een proces van wederzijdse agitatie. De kans op herhaling van gewelddadige acties is in de nabije toekomst zeer waarschijnlijk. Dat dit jonge kinderen, met een beperkte kijk op de werkelijke feiten, negatief kan beïnvloeden is dus latent aanwezig. En er zal zeker een uitlaatklep voor hoog opgelopen frustraties moeten komen.

Maar het is ook belangrijk dat het de leerlingen duidelijk moet zijn dat de vrijheid van meningsuiting niet onbegrensd is.

Natuurlijk wil de overgrote meerderheid van onze leerlingen niets liever dan een normaal leven leiden met uitzicht op een goede toekomst en vinden ze het verschrikkelijk wat er met Van Gogh is gebeurd. Angst voor moslimhaat zit bij de meesten van hen zeer hoog. Ook voor deze leerlingen is het van groot belang dat er open kaart wordt gespeeld. De emotionele reacties – deels gemeend, deels niet zo gemeend – die tijdens de discussies naar boven kwamen, komen deels voort uit een gebrekkige kennis van de Nederlandse geschiedenis. Dit geldt onder andere voor de geschiedenis van de Westerse modernisering en haar verhouding tot het fundamentalisme. Maar er bestaat bijvoorbeeld ook een gebrekkige kennis van koranteksten. En bij het vak Nederlands dienen stijlvormen als ironie, grove overdrijving en sarcasme geleerd te worden.

Loubna, een basisleerling, stelde voor om een grote bijeenkomst voor moslim- en niet moslimleerlingen te organiseren. Voor deze bijeenkomst hebben de leerlingen een aantal thema's bedacht zoals: `Is Nederland eigenlijk wel zo tolerant?' en `Moet de dubbele nationaliteit afgeschaft worden?' en `Zijn moslims in staat tot zelfkritiek?'

De behoefte om te nuanceren lijkt zich langzamerhand ook aan hen op te dringen.

Gerard Hundman is docent Maatschappijleer op het Terra College afdeling vmbo.