Knoeien met Shakespeare

De geschiedenis die Peter Ackroyd in zijn nieuwe historische roman vertelt, is bekender dan de meeste van zijn vorige boeken, én gemakkelijker op te zoeken. Toch waarschuwt Ackroyd meteen al aan het begin dat dit een work of fiction is en dat hij zich vrijheden permitteert met de historische gegevens. Het boek gaat over het gezin Lamb, dat omstreeks 1800 geen jolig leven leidde. Moeder was een stroef mens, vader begon te dementeren; en zoon en dochter, Charles en Mary, beminnelijke getalenteerde jongeren, kregen het hard te verduren.

Charles Lamb, beginnend schrijver, is later een man van aanzien geworden, die bekendheid verwierf als criticus en essayist. Samen met zijn zuster Mary schreef hij Tales From Shakespeare (stukken naverteld in verhaalvorm), en hij was bevriend met Coleridge en De Quincy. Broer en zus woonden samen, en dat was niet zomaar. Mary had in een vlaag van verstandsverbijstering op haar 32ste haar moeder vermoord. Na een tijdje te zijn opgesloten, mocht zij van de rechter weer thuis wonen, op voorwaarde dat haar broer haar onder zijn hoede nam.

De moord en het vervolg daarop hebben plaats aan het eind van Ackroyds roman. Die vertelt eerst over het gezinsleven en over Charles' bezigheden, en richt zich dan op Mary's relatie met de zeventienjarige boekhandelaarszoon William Ireland. Ook die jongen is een historische figuur, maar minder bekend dan de Lambs.

Ireland pleegde een opmerkelijk stukje literaire fraude door een Shakespeareaans klinkend toneelstuk met de titel `Vortigern' te schrijven en het als authentiek opgevoerd te krijgen in het Drury Lane Theatre. Hij beweerde de tekst gevonden te hebben tussen de familiepapieren van een oude dame die onder geen beding genoemd wilde worden. Hij zei dat hij er een kopie van had gemaakt, en enkele serieuze Shakespeare-kenners geloofden hem. Charles Lamb niet; Mary wél, en zij bezocht Ireland in zijn werkkamer, waar hij haar een stukje Shakespeareaans handschrift vertoonde.

Wanneer de opvoering van Vortigern wordt uitgefloten en Ireland korte tijd later zijn fraude opbiecht, is dat een zware teleurstelling voor Mary, die hem haar vriendschap gegund heeft. Zij komt die middag mismoedig thuis, en dan, nadat zij weer een paar bitse aanmerkingen heeft moeten doorstaan, doodt zij haar moeder.

Zonder expliciet te zijn, legt Ackroyd een verband tussen Mary's teleurstelling over Ireland en haar razernij. Dat idee geeft vorm aan het verhaal en hoeft niet bewezen te worden. Wie de voornaamste historische gegevens kent, is er tegen het eind allang aan gewend dat de volgorde niet klopt. En wie zich afvraagt in welk jaar Ackroyds verhaal eigenlijk gesitueerd is, raakt in de war.

Wanneer Mary haar moord gepleegd heeft, schrijft Lamb er in de roman een brief over aan zijn vriend De Quincy, die hij in de historische werkelijkheid pas zes jaar later leerde kennen. Sterker nog, Ackroyd deelt ons mee dat Mary stierf bij een amateur-toneelopvoering in 1804, en dat Charles haar nagedachtenis in ere hield; in de werkelijkheid leefde zij tot 1847, dertien jaar na Charles' dood.

Drieënveertig jaar van een vrouw uitwissen als een roman haar niet meer nodig heeft, is dat toelaatbaar?

Waarom zou het niet toelaatbaar zijn, nu Ackroyd het eerlijk aangekondigd heeft. Je kan tegenwerpen dat een historische roman de voornaamste gegevens op hun plaats moet houden en dan de lege plekken in de gemoederen en de gebeurtenissen dient in te vullen. Je kunt ook vinden dat er best met al die gegevens gehusseld mag worden. Dat heeft Ackroyd dus gedaan, en zijn roman is er heel gezond van tot leven gekomen.

Peter Ackroyd: The Lambs of London. Chatto & Windus, 216 blz. €31,75