Jíj zou toch op de baby passen?

Hoe heerlijk kan het leven zijn? 's Zomers met oude vrienden in korte broek aan een versleten tuintafel, mos onder je voeten, witte wijn in de koeler, loom pratend over koetjes, kalfjes en de bijen, baby slapend in de wieg, kinderen verderop met zijn zessen lekker aan het donderjagen.

En hoe lang kan dat duren? Want de vrienden aan de tuintafel hebben de maanden daarvoor veel te verstouwen gekregen: Gwen en Timo hebben een vijfde dochter gekregen, (Babette, na de tweelingen Marleen en Marise en Karijn en Klaar). Laurens heeft zijn vrouw verloren (Veronica), waardoor hij zijn zoontjes Niels en Toby nu alleen moet opvoeden. Beatrijs heeft haar man (Frank) verlaten voor Leander, een professionele paragnost met een 13-jarige gothic dochter (Yaja). Bij die personages komt ook nog Bobbie, de verstandelijk gehandicapte zus van Timo, die het winkeltje beheert waar de honing en de kaarsen worden verkocht die hun bijen produceren.

Een van de verdiensten van Renate Dorresteins nieuwe roman Zolang er leven is is dat al die personages toch heel behoorlijk uit elkaar te houden zijn. Een andere verdienste van de roman schuilt in de manier waarop Dorrestein die personages in het begin introduceert. Want hoewel ze niets noemenswaardigs misdaan hebben, gaan ze je vrijwel allemaal een beetje tegenstaan: de weduwnaar Laurens om zijn botte onhandigheid, de jonge moeder Gwen om haar dwangmatige geredder (`Zelf hoefde ze maar naar een bloemkool te kijken of hij was al gaar'), hun vriendin Beatrijs om haar ergerniswekkende ontdekking van haar ware, spirituele zelf en haar jaloerse paragnost Laurens omdat hij een onuitstaanbare zelfingenomen kwezel is (dat laatste negatieve oordeel wordt overigens door vrijwel alle personages gedeeld).

Verdriet

Met dat lichte gevoel van ongemak heeft Dorrestein je waarschijnlijk precies waar ze je hebben wil, want al snel begint ze de ellende met bakken over haar personages uit te storten: verdriet over en ruzie om de herinneringen aan de gestorven Veronica, conflicten met de humorloze ziener, het pesten door de puberdochter. En dan volgt de echte ramp. Tijdens een picknick is iedereen zo druk zijn eigen dingetjes aan het doen dat bij thuiskomst blijkt dat niemand de baby mee naar huis heeft genomen. In het vervolg komen alle onderlinge verhoudingen op scherp te staan.

Het verhaal wordt afwisselend verteld vanuit het perspectief van vier van de personages, waarbij de schrijfster vooral veel werk heeft gemaakt van de 7-jarige Niels, die na de dood van zijn moeder is achtergebleven met zijn vader en zijn broertje van vier. Hoewel zijn gedachten soms wat ingewikkeld lijken voor een zevenjarige, geeft Dorrestein een mooi beeld van diens verwarring. Niels' verdriet vertaalt zich in onvoorspelbare aanvallen van aanhankelijkheid of juist agressie tegenover zijn omgeving. In een prachtige scène beschrijft Dorrestein hoe het jongetje ertoe is overgegaan zijn dinky toys een voor een in de tuin te begraven. 's Ochtends gaat hij voor zijn plankje met autootjes staan, grijpt er eentje en neemt het mee naar de tuin, waar hij onder de seringen een gat graaft: `Zijn autootje stond klaar op de rand van de groeve. Hij voelde hoe zijn keel dik werd bij de aanblik van het karretje dat vanochtend nog van geen gevaar had geweten en dat nu voor altijd onder de grond moest verdwijnen.'

In het algemeen zijn de kinderen geslaagde creaties, met de puberende, iedereen sarrende Yaja als aangename stoorzender. Ze zorgt voor verlichting door haar kwezelige vader dwars te zitten (`Badminton? Ga een cactus beffen, man.') en diens nieuwe vrouw te beledigen (`Van de ene dag op de andere ben je ineens iemands freaking stiefkind'). Ook de nog niet puberende kinderen in de roman zijn grof in de mond. En ongevaarlijk blijken ze ook al niet te zijn.

Het vakmanschap van Dorrestein is alomtegenwoordig in Zolang er leven is. Steeds weer wordt de spanning opgebouwd om afwisselend te eindigen met een sisser (de baby heeft gewoon buikpijn van een onrijpe banaan) of juist niet (de kinderen pakken de `ontvoering' van een van de volwassenen wat al te hardhandig aan). Hetzelfde geldt voor de afwisseling van ernst en luim in het boek. Het ene moment lijkt Dorrestein er een satanisch genoegen in te scheppen om alle culinaire activiteiten van een van de vrouwen te laten mislukken (`als was er iets duisters in haar relatie tot voedsel, iets wat verhinderde dat ingrediënten zich aan de regels hielden'), even verder schetst ze met veel empathie hoe dezelfde persoon zich een gedroomde steun en toeverlaat toont: `Iedere middag om klokslag vijf uur was ze aan de lijn, een baken, een zegen.'

Zolang er leven is biedt het soort amusement van het betere televisiedrama: hoog tempo, veel personages worden vlot gekarakteriseerd, waarbij wel de suggestie van diepe gronden wordt gewekt, zonder dat die werkelijk worden uitgediept. Er zijn voorspelbare en onvoorspelbare amoureuze ontwikkelingen, aanvallen van jaloezie, momenten van verlichting en soms iets wat werkelijk dramatisch is. En een opeenvolging van gebeurtenissen die je het idee geeft dat het boek nog langer op dezelfde voet zou kunnen dóórgaan.

Zwartgalligheid

Maar heeft de roman ook méér te bieden dan kwaliteitsamusement? Renate Dorrestein wil met Zolang er leven is wel degelijk dieper graven dan de oppervlakte. En zolang ze een zekere zwartgalligheid behoudt, slaagt ze daar ook in; elders neigt ze soms naar sentimentaliteit. Waar het in het boek uiteindelijk om gaat, is hoe mensen omgaan met onzekerheid. Het leven van Timo en Gwen (de bijenhouders met de vijf dochters) is op het oog ongeorganiseerd, maar is in werkelijkheid grotendeels vastgelegd en beschermd. De plotselinge dood van Gwens jeugdvriendin Veronica (Laurens' echtgenote) heeft de eerste schok in hun paradijs veroorzaakt, de verdwijning van hun dochtertje is de grote klap. Want hoe konden ze zo onvoorzichtig zijn dat ze een baby op klaarlichte dag kwijtraakten?

De pessimistische les die Dorrestein haar personages, en dus de lezer, nogal hardhandig inpepert is dat wie onbekommerd doorleeft en zijn geluk als vanzelfsprekend ervaart, vroeg of laat voor zijn onvoorzichtigheid wordt gestraft. Vervolgens blijf je achter met een mengsel van schuldgevoel en onzekerheid, wat weer leidt tot agressie tegen anderen en een hang naar mystiek, geloof in geesten en andere hocuspocus – bij volwassenen én bij kinderen. Want Dorrestein maakt duidelijk dat er tussen de leeftijdsgroepen wat dat betreft niet veel verschil is.

Er is ook een optimistischer les te trekken uit Zolang er leven is. De meeste karakters worden gelouterd door de rampen die over ze heen komen. Die troost wordt verbeeld door de titel, waaruit weliswaar het `...is er hoop' is weggelaten, maar die toch nadrukkelijk naar de mogelijkheid van een goede afloop verwijst. Vandaar ook dat een van de personages aan het einde van de roman concludeert `al is het maar de deemoedige hoop dat onze kinderen een verbeterde versie van onszelf zullen zijn. En het vreemdste van alles is dat dat meestal nog uitkomt ook'. Zo krijgt Zolang er leven is een slotakkoord dat zo zoet is dat het glazuur je van de tanden springt, maar aan het eind van een roman die verder staat als een huis, is dat Dorrestein vergeven.

Renate Dorrestein: Zolang er leven is. Contact, 320 blz. €18,50