Ik wil echte schoten

Regisseur Olivier Provily maakt met Tsjechovs `Oom Wanja' zijn eerste voorstelling voor een grote zaal. ,,Ondanks die aanslag gaat `Oom Wanja' over liefde.''

`Pang! Pang!'' roept de acteur uit die de titelrol speelt in Oom Wanja van Anton Tsjechov. Eigenlijk is dat een keer `pang' te veel, want Tsjechov schrijft koel en zakelijk aan het slot van het derde bedrijf: ,,Achter de coulissen klinkt een schot.'' Vervolgens komt Wanja het toneel opgestoven, zoekt het slachtoffer en schiet in zijn richting. Maar het schot treft geen doel, waarop de rampzalige Wanja verzucht: ,,Heb ik hem niet geraakt? Alweer misgeschoten? Ach, verdomme nog aan toe...!''

De Russische toneelschrijver Anton Tsjechov (1860-1904) heeft een voorkeur voor geweer- en revolverschoten aan het slot van zijn toneelstukken. Na het urenlange, vaak vergeefse praten van zijn dadenloze personages komt het schot uit een vuurwapen als verlossing. Ivanov en De Meeuw eindigen met zelfmoord. Oom Wanja (1899) kent een moordaanslag.

Regisseur Olivier Provily (1970) repeteert Oom Wanja met Toneelgroep Amsterdam in het Transformatorhuis van de Amsterdamse Westergasfabriek, het is zijn eerste voorstelling in de grote zaal. Tsjechov is honderd jaar geleden gestorven. Hij krijgt dit seizoen alle aandacht. Het Nationale Toneel uit Den Haag speelt Ivanov. Deze Ivanov maakt zichzelf van kant, gedreven door besef van zijn uitzichtloze toekomst. Op het eerste gezicht lijken ze op elkaar, Ivanov en Wanja. Tot aan die finale, beslissende scène. Ivanov zoekt de dood, Wanja doodt uit woede en jaloezie zijn vijand, een professor. De aanslag die Wanja pleegt komt altijd weer onverwachts. Want wat heeft Wanja in de drie lange bedrijven ervoor nu eigenlijk uitgevoerd op de bühne? Bitter weinig. Vol onvrede en verbittering over zijn mislukte leven hangt hij rond en klaagt. Hij maakt anderen het leven zuur. Een treiteraar die bovendien zwelgt in zelfmedelijden.

Oom Wanja is een stuk met een lange opvoeringsgeschiedenis in Nederland. Er schuilt nog minder handeling in dan in Tsjechovs andere toneelwerk. Leon Voorberg, hoofdrolspeler, studeerde in 1999 af aan de Toneelschool in Maastricht. Volgens Tsjechovs aanwijzingen is Wanja zevenenveertig. Voorberg is halverwege de dertig. ,,We zijn trouw aan de tekst in de vertaling van Charles B. Timmer'', vertelt hij in een korte pauze, ,,behalve op één punt. Ik zeg dat Wanja eind dertig is. Het verschil met de oorspronkelijke leeftijd deert volgens ons niet. Wanja heeft het doel in zijn leven gemist. Ooit was hij bevlogen en hardwerkend, nu is hij op jammerlijke wijze verzonken in nietsdoen. Ik beschouw hem als een telg van de huidige generatie van dertigers die op betrekkelijk jonge leeftijd bang zijn voor alweer een jongere, energieker generatie van twintigers.''

Gras en bloemen

Op een avond in het Transformatorhuis speelt het gezelschap van negen spelers de vier bedrijven achter elkaar. Tegen de achterzijde staat een met gras en bloemen bedekte wand. Op de speelvloer twee chroomstalen stoelen en een samovar, het eeuwige Tsjechov-attribuut. In de lege ruimte lijkt dit theetoestel nietig. Dat is ook de bedoeling. Voorberg: ,,We hebben geen enkel houvast, niet eens een glas of een tafel. We staan eenzaam in een leegte waarin een stoel al te veel is. Hierin zal deze Wanja verschillen van veel uitvoeringen, vooral die van lang geleden. Die decors stonden tjokvol. Ik heb veel Tsjechovs gezien en er vooral naar geluisterd, vaak met mijn ogen dicht. Voor mijn spel heb ik weinig aan eerdere vertolkingen van de hoofdrol, ik heb geen last van die beladenheid door de traditie. Wij doen het anders. Wij zoeken vooral naar een speelstijl van de verstilde intimiteit.''

Dat al snel de enscenering van het pistoolschot ter sprake komt, is niet verwonderlijk. Het is de enige werkelijke handeling in het stuk, de apotheose van alle bij Wanja opgekropte wrok en onvrede. Tijdens de doorloop gebruikt Leon Voorberg duim en wijsvinger om een revolver uit te beelden, zoals jongens dat doen. Maar gaat het zo worden? Voorberg: ,,Ik ben in Almere bij een wapenhandelaar geweest voor schietles. Dat is noodzakelijk als je een blaffer gebruikt met losse flodders die luid exploderen en knallen. Ook schijn ik oordopjes in te moeten en dient het wapen meteen na afloop in de kluis opgeborgen te worden. Toneelgroep Amsterdam heeft zelfs een wapenvergunning ondertekend. Maar het gaat vooral om de vorm. Als ik de schoten stileer, dus zonder wapen, dan is de aanslag meer een handeling in Wanja's fantasie.''

Schertsgeleerde

Regisseur Provily wil `echte schoten' die getuigen van een `echte maar mislukte moordaanslag'. In 2001 studeerde hij aan de Amsterdamse Toneelschool af met de voorstelling Oorlogje, over grote en kleine oorlogen tussen mensen. ,,Aan een geweerschot daarin heb ik goede herinneringen,'' legt Olivier Provily uit, ,,die gaf een grote emotionele schok. Ik ben ervan overtuigd dat Wanja werkelijk een aanslag op de professor pleegt. Deze man die een schertsgeleerde is, richt Wanja te gronde en daarom neemt hij wraak. Wanja is het schitterende voorbeeld van een Tsjechov-personage: een klein iemand in een grote wereld. Net zomin als de andere karakters begrijpt hij de wereld. Zowel uit de toneeltekst als uit Tsjechovs biografie haal ik de overtuiging dat hij een agnost is, iemand die meent dat de mens onkundig en onmachtig is. Alle goede bedoelingen ten spijt, gaat het tussen de karakters onophoudelijk mis. Ik zie hen niet als personages die je groot en theatraal moet uitbeelden. Het zijn alledaagse, herkenbare mensen die verdwaald zijn in de wereld. Daarom kies ik voor een bijna mimimale, verstilde speelstijl. Ondanks die aanslag gaat Oom Wanja over liefde. Ik wil dat alle personages liefde laten zien.''

Het verhaal van Oom Wanja is bedriegelijk eenvoudig. Het desolate landhuis waarin het stuk zich afspeelt, telt zevenentwintig kamers, zoals ergens staat. Daar heerst een oude, bijna feodale orde. Een oude min, de njanja, en Wanja's nicht Sonja bestieren het huishouden. Ogenschijnlijk zal er nooit iets veranderen. Dan maken de gepensioneerde professor Serebrjakov en zijn beeldschone, jongere vrouw Jelena hun entree. Op slag springt, volgens Provily, `de tijd uit zijn voegen' en raken orde en regelmaat van slag. De theetijd is niet meer een vast moment, die kan per keer verschillen, al naar gelang de grillen van de egocentrische professor. En Tsjechov zou de grootmeester van de vergeefsheid niet zijn als zich niet allerlei liefdesperikelen aandienen. Sonja is smachtend verliefd op de arts en idealist Astrov. Wanja raakt noodlottig verliefd op de prachtige Jelena. De gehuwde, onbereikbare Jelena tot slot, vaak uitgebeeld als een `ijskoningin', voelt verliefdheid opvlammen voor Astrov.

In trage lijnen met verglijdende stemmingen ontvouwt Tsjechov dit spel van onvervulde liefde. Veelbetekenende blikken worden gewisseld. Het decolleté van Jelena en haar rood-gloeiende jurk brengen Wanja en Astrov het hoofd op hol. Maar er gebeurt niets. De verliefdheden blijven even ijl als Tsjechovs spel met woorden en vooral veel stiltes. Nadat de pistoolschoten hebben weerklonken en het kruit is opgetrokken, besluiten Jelena en de professor te vertrekken. Ze hebben de oude orde vernietigd en naar verwachting zal die zich herstellen. Maar dat is onmogelijk. Het afscheid maakt alles opnieuw kapot. De laatste woorden van Sonja (Gunilla Verbeke) getuigen van een vreselijke waarheid en grimmige ironie. ,,We zullen rust vinden!'' zegt ze driemaal.

Al bezit Oom Wanja geen overstelpende handelingen, de rijkdom aan karakters boeit keer op keer. Een goed voorbeeld van Provily's fijnmazige werkwijze is de landkaartenscène van Astrov, de idealist die zich inzet voor het behoud van de bossen. Ooit streed hij tegen de vernietiging van de natuur door de mens. Nu hij Jelena heeft gezien, verstomt zijn dadendrang en verliest hij zich in wodka. Om indruk bij haar te maken toont hij kaarten die de teloorgang van het gebied rondom het huis laten zien. In eerdere uitvoeringen waren die tekeningen altijd prachtige kunstwerken. Nu niet. Barry Atsma haalt ze een voor een tevoorschijn uit de krappe binnenzak van zijn jasje. Over dat moment zegt Atsma: ,,De meeste acteurs in die Astrov-rol vouwen met weidse gebaren die kaarten open. Maar je hoeft niet met die kaarten theatraal om te springen om het drama uit te drukken. Jelena is helemaal niet geïnteresseerd in idealen, in verzet tegen ontbossing. Ze denkt aan zichzelf. Ik houd het klein, de tekst is sterk genoeg. Hoewel Astrov vervuld is van hoge bedoelingen, verandert hij gaandeweg in een fatalistisch persoon. Oogverblindend grote kaarten passen daar niet bij.''

Voor Saskia Temmink als Jelena schuilt de grote moeilijkheid van haar rol in het uitstel. Bedrijf na bedrijf houdt ze zich in Jelena's liefde voor Astrov te bekennen: ,,Ik moet bij onze eerste ontmoeting helemaal niets laten blijken, dus niet in het begin slimmer zijn dan de tekst toelaat. In dat uitstel schuilt de kracht van Tsjechovs dramaturgie. De kus die Astrov op Jelena's mond drukt komt vanzelf. En op dat moment, in het hier en nu van het spel, moet ik reageren. Ik veroordeel haar niet. Ik zie haar als een warme vrouw, zeker niet cool of bitchy. Ik kan me goed voorstellen dat ze overspelige verlangens heeft. Haar man, de professor, lamenteert alsmaar over de pijn in zijn been.''

In de stukken van Tsjechov is altijd een belangrijke rol weggelegd voor de oude min, steun en toeverlaat van het huis. Vaak is voor de vertolking van deze rol gekozen voor een jonge actrice, anti-typecasting dus. Bij Provily niet. Anita Menist, die in februari 1949 haar toneeldebuut maakte, speelt Marina `alsof het huis gebouwd is rond haar aanwezigheid. Zij is als bouwsteen ervan, de onwrikbare grondslag.' Menist heeft decennialang gespeeld in de Hollandse traditie van toneel maken. Dat betekende tekst lezen, dan de zogenaamde `ineenzetting' ofwel de mise-en-scène instuderen, korte tijd repeteren en spelen. Niet meer dan vier weken. Ze zegt: ,,De jongere generatie regisseurs denkt in beelden, niet vanuit de acteur. Toen Olivier Provily mij uitnodigde de min te spelen, stelde ik meteen de vraag: `Maar jij bent toch niet zo'n regisseur die ons op een kale bühne gaat neerzetten?' Hij ontkende dat. Totdat we bij de eerste repetitie met zijn allen aan de rand van de vloer moesten plaatsnemen. Nu heb ik een stoel, maar het minimale en niet-theatrale in het spel zijn gebleven. Ik hoop dat deze ploeg jonge spelers de grote zaal aankan.''

Er is een intieme scène waarover Anita Menist zich zorgen maakt. In een verstilde scène wikkelt ze een kluwen wol om de uitgestoken handen van Telegin, zo'n onduidelijke figuur die ergens aan de rand van het drama rondscharrelt. Menist verricht haar handelingen met kleine gebaren, volgens haarzelf voldoende. ,,Maar'', zegt ze met nadenkende trek om de mond, ,,opeens heeft Olivier bedacht een reusachtige baal wol op het toneel te leggen. Dat lijkt me niet nodig, hij kan gerust op mijn tekstbehandeling vertrouwen.''

Bezorgdheid

Ook bij Hugo Koolschijn, die de rol van professor Serebrjakov voor zijn rekening neemt, klinkt in deze laatste fase, een week voor de première, bezorgdheid. Koolschijn speelde, eveneens bij Toneelgroep Amsterdam in de regie van Titus Muizelaar, de rol vijf jaar eerder. ,,Olivier Provily heeft me verzekerd dat de professor van zijn vrouw Jelena houdt'', aldus Koolschijn. ,,Ik zie hem eerder als een egocentrische, hypocriete en kokette man, een operetteprofessor die alleen aan zichzelf denkt. Iedereen om hem heen hunkert naar liefde, behalve hij. Hij denkt verzekerd te zijn van de trouw van Jelena. Hij is een despoot die iedereen lastigvalt. Niemand heeft zijn artikelen en boeken over kunst ooit gelezen, ze hebben geen enkele betekenis. Wanja heeft zijn leven aan hem opgeofferd, hem geld gestuurd, en daarom is Wanja woedend. Ik moet vaak denken aan mijn erg zieke zangleraar, die op het laatst van zijn leven genoot van elke ademtocht. Dat vermag de ouderdom ook: vergeestelijking. Zo is de professor beslist niet. Als ik hem als een zachtmoedige uitbeeld, moet ik tegen de tekst in spelen.''

Tijdens deze laatste dagen voor de première draait het om de vraag hoeveel liefde Wanja en de spelers laten zien. Regisseur Provily wil `handenvol liefde' in de voorstelling leggen, `want dat hebben de toeschouwers in deze tijd nodig. Koolschijn ziet echter een andere mogelijkheid: ,,Als je de liefdeloosheid van de personages toont, dan geef je het verlangen naar liefde reliëf. Het wordt dan een stil, kwijnend verlangen. Ze bedoelen het goed maar doen het verkeerd. Dat vind ik hard. Als de professor zijn vrouw liefheeft, had hij het pistool van Wanja afgepakt en zichzelf door het hoofd geschoten. Dan had hij iedereen verlost en zijn vrouw gelukkig gemaakt. Een echte daad als getuigenis van werkelijke liefde.''

`Oom Wanja' door Toneelgroep Amsterdam. Regie: Olivier Provily. Première: 19/11 Stadsschouwburg, Amsterdam. Tournee t/m 15/1. Inl.: 020-6242311; www.toneelgroepamsterdam.nl