Het gaat altijd om iets anders

BOEDAPEST. Zo was ik na twee weken Bolivia weer terug in Hongarije, met de studenten en het appartement in het Raoul Wallenberg Guesthouse, waar op maandagmiddag twee zwijgende schoonmaaksters langskwamen. Zij stapelden de papiertjes op de eettafel netjes op, vernieuwden de lakens en handdoeken en na een minuut of twintig verwijderden ze zich weer. Het was mooi herfstweer in Boedapest, ik had geen lichamelijke klachten, mijn leven was tot de vroege zomer van 2005 gevuld met deadlines, en aan de vooravond van Allerzielen had ik afgesproken met een studente in de bar van het Four Seasons Hotel. Ik kwam daar regelmatig, ook in Boedapest had ik mij rituelen eigen gemaakt. Ruszwurm voor het ontbijt, Four Seasons voor het avondeten. Ethische bezwaren telden niet, ik was geen docent, niet in de werkelijke betekenis van het woord. Ik was meer een discussieleider, al had ik de sleutel gekregen van het docententoilet. Ik maakte geen gebruik van dat toilet, dat zei genoeg.

Bovendien had ik de afspraak zelf geïnitieerd. Tijdens een college was mij een van de studenten opgevallen, ze deed met een zekere gretigheid mee aan de discussie. Na afloop gaf ik haar mijn e-mailadres, zogenaamd om de discussie schriftelijk voort te zetten, maar het ging natuurlijk om iets anders. Het gaat altijd om iets anders. Een tijd bleef het stil, ze verscheen tot mijn verbazing ook niet meer op mijn colleges, en eigenlijk had ik haar al uit mijn hoofd gezet, zoals je alleen al om praktische redenen op een gegeven moment van alles uit je hoofd moet zetten. Tot ik in Bolivia, te midden van alle drama's die zich daar afspeelden, een mail van deze studente kreeg, Gabriella heette ze.

Het was een vriendelijk, ietwat formeel bericht. De studente vroeg om informatie over de dichter H.H. ter Balkt.

Vanuit Bolivia schreef ik terug dat ik haar qua H.H. ter Balkt momenteel niet kon helpen, maar dat het me een goed idee leek om op 1 november wat te gaan drinken, misschien ook eten, wellicht konden we dan over H.H. ter Balkt spreken. Ik had hem ooit ontmoet, toen ik nog voor de VPRO-radio werkte, en ik kon me vooral herinneren dat ik moeite had hem te verstaan.

Zo zat ik op 1 november in de bar van The Four Seasons tegenover Gabriella, de lucht van Bolivia en de vliegreis was nog niet uit mijn haren verdwenen. Al maakte ik dan geen gebruik van het docententoilet, voor de zekerheid had ik een pak aangetrokken. De studente rookte noch dronk en was geheel in het zwart gekleed, en terwijl ik het beleefde gedeelte van het gesprek probeerde te verlaten, dacht ik nog even aan Baby Rat en zijn moeder die ik in Bolivia had achtergelaten, zonder er gerust op te zijn.

H.H. ter Balkt kwam maar niet ter sprake.

Wel natuurlijk het leven van Gabriella zelf.

Op haar vijftiende had ze aan het Balatonmeer een man ontmoet, een Nederlander. Vier jaar jaar later was die man haar komen halen en in zijn auto had hij haar meegenomen naar Nederland. Gabriella's ouders hadden gezegd: ,,Als je maar gelukkig wordt.'' De man werkte voor een verzekeringsmaatschappij en woonde in de buurt van Utrecht. Hij wist alles van auto's en was erg depressief. Het appartement was dermate ruim dat ze niet in dezelfde kamer hoefden te slapen. Na een jaar was de studente het zat. Ze ging terug naar Hongarije met de bus.

Ik knikte, zoals ik dat gewend was te doen tijdens de bijeenkomsten aan de universiteit, geïnteresseerd en respectvol.

,,Het Balatonmeer'', zei ze, ,,is een mooi meer.''

,,Ik ben er nog nooit geweest'', zei ik.

Zoenen wilde ze wel, was haar antwoord op mijn vraag, maar alleen op een plek waar niemand ons kon zien. Dat soort dingen kun je het beste vragen, zoals je vraagt: ,,Wie van jullie heeft Nooit meer slapen gelezen?'' Droogjes, voorbereid op elke teleurstelling. ,,Dit is een overwinning'', zei ze, toen we eenmaal op de bank zaten in het Raoul Wallenberg Guesthouse. Ik was een trofee, maar meer dan een trofee wilde ik ook helemaal niet zijn, vermoedde ik.

In de boekenkast, op een lege plank, zag ik de sleutel van het docententoilet liggen, naast mijn huissleutels uit New York. Het moest wel bij zoenen blijven, zei ze. Als trofee respecteerde ik dat uiteraard, en vroeg in de ochtend stelde ik voor een taxi te bellen, na nog even aangeboden te hebben dat ze uiteraard ook mocht blijven slapen. ,,Ik ben ongesteld'', zei ze, ,,ik stink.''

Over het algemeen ben ik bereid me over de meeste stank heen te zetten, maar ik drong niet aan, het was laat, ik had de komende dagen veel te doen. Mijn hoofd lag op haar schoot, zij speelde met mijn haren, ik merkte dat ik bezig was in slaap te vallen. De schijn van vertrouwdheid was mooi, maar je werd er doezelig van.

Zij had haar Balatonmeer achter de rug en ik een kleine reeks van Balatonmeren. De slaap overmande mij. ,,Ik moet nog een boek lezen'', zei ik, ,,voor mijn werk.''

Ik stond op en stopte mijn overhemd in mijn broek. ,,Het is mijn zaak niet'', zei Gabriella, ,,maar je moet je mond wijder opendoen en je tong meer vrijgeven.''

Met de telefoon in mijn hand keek ik haar aan. Ik nam haar kritiek niet serieus, lachte erom als om een naïeve opmerking van een student. Uitsluitend om didactische redenen ga je erop in. Hier waren geen didactische redenen, dus lachte ik alleen maar, waardoor ik toch degene werd die ik niet had willen zijn.

Een week later zag ik Gabriella weer tijdens college. Haar negeren leek me het summum van discretie. Licht ongemakkelijk voelde ik me wel, aangezien ze per e-mail had laten weten: ,,Ik heb mijn vriendinnen verteld dat je je mond niet wijd genoeg opendoet.'' Of het ongemak nu werd veroorzaakt door het feit dat die vriendinnen iets wisten wat ze beter niet hadden kunnen weten of dat het kwam doordat die vriendinnen dachten, ten onrechte uiteraard, dat ik mijn mond niet wijd genoeg opendeed, wist ik niet zeker. Maar blijkbaar had Gabriella niet zo veel vriendinnen, of ze waren beleefd, in ieder geval kon ik ongestoord, met een bijna ontroerende ernst, spreken over het schrijfproces.

Gabriella was wel beledigd dat ik haar had genegeerd, maar ik kon dat uitleggen. Ik kan veel uitleggen.

Daarom spraken Gabriella en ik af mijn laatste avond in Boedapest samen door te brengen. Ach, zo'n laatste avond. Bovendien pasten niet alle boeken die ik in Hongarije had verzameld in mijn koffer. Ik zou er zo'n stuk of tien tijdelijk bij Gabriella achterlaten.

Tijdens het eten vroeg ik: ,,Wat deed je eigenlijk dat jaar in Nederland?''

,,Administratief werk'', zei ze.

,,Zwart?'' vroeg ik.

,,Nee'', zei ze, en uit haar portemonnee trok ze een verblijfsvergunning, geldig tot 2006.

Ik hield het stukje plastic in mijn hand.

,,En dat had die jongen voor je geregeld die zo depressief was?'' Voor het eerst, zo naïef is men kennelijk toch, voelde ik dat er iets in haar verhaal niet klopte. Het ging me niets aan, en het deed er ook niet toe, maar het klopte niet.

Mijn verhaal klopte ook maar half, dat is het kenmerk van onze verhalen, dat ze allemaal maar half kloppen. Ze wilde blijven slapen. ,,Maar'', zei ze, ,,we gaan niets doen, alleen zoenen.'' Zo wijd mogelijk opende ik mijn mond. Ik werd eerder wakker dan zij en begon mijn koffer in te pakken. Terwijl ik de boekenkast leegruimde zag ik de sleutel van het docententoilet liggen. Ik was hem vergeten terug te geven. Even overwoog ik hem aan Gabriella te geven met het verzoek of zij hem aan het hoofd van de vakgroep Nederlands wilde overhandigen. Maar dat leek me toch niet zo'n goed idee. Ik zou hem wel vanuit New York opsturen.