Feestje op een koopje

Met `Pluk' verfilmde Bos bros voor de vierde keer een werk van Annie M.G. Schmidt. De film heeft een ingewikkelde ontstaansgeschiedenis. ,,Het zakelijke en het inhoudelijke bezwaar versterkten elkaar.''

Drie films, drie hits. En de vierde is onderweg. Michiel de Rooij stokt even. ,,De vierde film'', preciseert hij. ,,We hopen dat het ook de vierde hit wordt'', zegt Sabine Veenendaal gauw.

De Rooij en Veenendaal zijn twee van de drie producenten van Bos Bros. Burny Bos is de derde. Ze hebben net boterhammen gegeten in hun kantoorvilla in Hilversum en nu gaan we in een gelambriseerde vergaderkamer praten over Pluk van de Petteflet, de vierde Bos Bros-verfilming van Annie M.G. Schmidt, na Abeltje (1998), Minoes (2001) en Ja Zuster, Nee Zuster (2002).

Als ze horen dat de persvoorstelling van Pluk die ochtend een vrolijke bedoening was, dat een van de journalisten de film ,,een feestje'' heeft genoemd, veren ze even op. Alsof ze er toch niet helemaal op hadden durven rekenen.

Pluk heeft geen eenvoudige voorgeschiedenis, misschien is het daarom. Oorspronkelijk zou het een film worden met levende kinderen en in de computer getekende dieren erbij. Dat was toen ze bij productiemaatschappij Bos Bros nog een beetje duizelig waren van het succes van Minoes (bijna 837.000 bioscoopbezoekers in Nederland) en dachten dat ze Pluk op dezelfde doelgroep – kinderen van 8 tot 12 jaar oud – zouden mikken.

Veenendaal: ,,Maar Pluk is helemaal geen verhaal voor die leeftijd. Pluk is voor jongere kinderen.''

Bos: ,,We waren een spannend verhaal voor Pluk aan het bedenken om hem aantrekkelijk te maken voor oudere kinderen. Maar het klopte gewoon niet.''

De Rooij: ,,Het zakelijke en het inhoudelijke bezwaar versterkten elkaar. Een film met mooie computer graphics zou 5 à 6 miljoen gaan kosten. Dan moet je ook een grote doelgroep hebben. Maar Pluk hoort bij de voorleesleeftijd, bij kinderen van 4 tot 6 jaar oud en dat is een kleinere doelgroep. Dus moesten we de film ook minder duur maken. Hij heeft nu 2,8 miljoen euro gekost.''

Ze hebben daarna rondgelopen met het idee om Pluk en de Petteflet helemaal te maken volgens de Aardman-methode: poppetjes van plasticine.

Bos: ,,We zijn in Letland gaan kijken in een animatiestudio.''

De Rooij: ,,De Aardman studio's zijn onbetaalbaar.''

Bos: ,,We kregen niet echt het idee dat de Letten er veel gevoel bij hadden.''

Veenendaal: ,,Ze hebben ongeveer zes uur in een deuk gelegen toen ze de tekeningen in het boekje zagen.''

De Rooij: ,,Voor ons refereert de stijl van Fiep Westendorp aan een soort ouderwetse helderheid. Zij vonden het allemaal absurd. Die hoge neusjes!''

Bos: ,,De kleuren!''

Veenendaal: ,,Letland heeft zelf niet zoveel kleur, hè. Het is allemaal groenig en bruinig.''

Ze lachen uitbundig. Word je vanzelf goedgehumeurd als je altijd films naar Annie M.G. Schmidt maakt? ,,Jazeker'', zeggen Sabine Veenendaal en Michiel de Rooij. ,,Nee hoor'', zegt Burny Bos, ,,Ik ben altijd somber.''

Het zelfvertrouwen straalt ervan af. En dat in een tijd dat de Nederlandse film na een paar jubeljaren met voorpaginaberichten over de bezoekcijfers en de marktaandelen weer aan het terugzakken is. Voor beleidsmakers is Pluk van de Petteflet – misschien met Floris van Jean van de Velde – de laatste hoop van het magere filmjaar 2004. Commercieel én artistiek, want daar is Burny Bos net voor geëerd op het Cinekid-festival: dat hij jonge kinderen geen rotzooi voorschotelt omdat ze toch nauwelijks iets te kiezen hebben. ,,Je kunt ook een góede Kabouter Plop maken.''

Luchtkussen

Van alle ontwikkelingen uit de jaren dat de Nederlandse film dobberde op het luchtkussen van royale fiscale steun, is dit misschien wel de meest bemoedigende: dat er zowaar een paar artistiek interessante filmbedrijven zijn opgeschoten tussen alle van subsidie naar subsidie tastende producenten. Bos Bros is er met hun drie films, drie hits vooralsnog het meest succesvolle voorbeeld van.

De Rooij, die binnen het driemanschap vooral de zakelijke kant vertegenwoordigt, rekent voor dat op het budget van 2,8 miljoen euro 900.000 euro risicovol is gefinancierd, waarvan 200.000 door Bos Bros zelf. Maar, zegt hij, ,,als de film een reusachtig succes wordt, mogen wij van de filmfondsen niet meedelen in de winst. Wij mogen die geïnvesteerde 200.0000 euro terugverdienen en van het budget is 10 procent gereserveerd voor ons als producenten en voor overheadkosten. Als de film 450.000 bezoekers trekt, hebben wij ons geld eruit. Als de film een miljoen bezoekers trekt, verdienen alle andere investeerders er geld aan, behalve wij.''

De Nederlandse filmindustrie zal volgens hem nog lang met de deken van de subsidiefondsen toegedekt blijven. Ondernemerschap wordt wel geprezen, maar niet beloond. Met Ja zuster, nee zuster verdiende Bos Bros een zogeheten `Stimulans voor succes', een jaarlijkse bonus voor de bestbezochte Nederlandse films. Dat geld moet de producent inzetten voor een volgend project. Bos Bros wilde het aanwenden voor de ontwikkeling van een scenario waar de drie directeuren alle vertrouwen in hadden, maar dat door het Filmfonds was afgewezen. Het geld van de bonus mocht niet worden gebruikt voor dat script. ,,Er was een formele reden voor'', zegt Michiel de Rooij: ,,Maar de boodschap is toch dat het Filmfonds beter weet wat een kansrijk scenario is dan wij.''

Burny Bos, binnen het driemanschap vooral bezig met de creatieve kant van de projecten, zegt: ,,Bij succes gaat iedereen voorzichtig voor je zijn. `Nee, dat moeten jullie niet willen maken. Dat is beneden jullie waardigheid.' Allemaal goed bedoeld, maar wij weten intussen heus wel wat goede films zijn en wat niet.''

Ze hebben nog even in Nederland gezocht naar een animatiestudio. Die zijn er haast niet meer. Thijs Chanowksi producties, dat ooit de Fabeltjeskrant maakte, en de Toonder studio's bestaan niet meer. Het bedrijf waar ze mee hebben gepraat, had nog nooit een complete speelfilm gemaakt. Het zou te duur worden en te veel tijd gaan kosten. Toen hebben ze de knoop doorgehakt en levende acteurs genomen met poppen voor de dieren.

De sfeer van Pluk is heel anders dan die van de swingende en brutale Abeltje, de subtiel vormgegeven en ironisch getoonzette Minoes of de uitzinnige Ja zuster, nee zuster. ,,Wij hebben geen format voor de verfilming van het werk van Annie M.G. Schmidt'', zegt Veenendaal scherp.

Ineens vliegen ze alledrie op, zichzelf verwerend tegen het niet-geuite verwijt dat ze gemakkelijk scoren met werk en naam van Annie M.G. Schmidt.

Bos: ,,Het werk van Roald Dahl was al verfilmd, en van Astrid Lindgren. Wij wilden onze eigen koningin van de jeugdliteratuur eren.''

Veenendaal: ,,Dat was destijds helemaal niet zo vanzelfsprekend, hoor.''

De Rooij: ,,De rechten waren al jaren door niemand met een vinger aangeraakt.''

Ze halen regisseur Eddy Terstall aan, die regelmatig snerende opmerkingen maakt over boekverfilmingen in het algemeen. Hun volgende film wordt Het paard van Sinterklaas, naar een origineel scenario van Tamara Bos (zij schreef ook Minoes, Pluk van de Petteflet, Verborgen gebreken).

Veenendaal: ,,Ze is er een boek van gaan maken nádat ze het script had geschreven.''

Bos: ,,Het gaat over een Chinees meisje in de Nederlandse cultuur. Dat is per definitie voor een kleine doelgroep, maar dat soort films willen we graag maken.''

Ze bedaren en dan zegt Sabine Veenendaal dat ze alleen al om te bewijzen dat ze geen Annie-Schmidt-format uitmelken, extra haar best had willen doen voor een complete poppenversie van Pluk.

Bos: ,,Het was een mooi experiment geweest om te kijken of we die vorm ook beheersen. Poppenfilms kun je beter verkopen naar het buitenland. Dat is altijd makkelijker met nasynchroniseren.''

De Rooij: ,,Het zal niet makkelijk worden om Pluk naar het buitenland te verkopen.''

Veenendaal: ,,Er zitten liedjes in, dat is altijd een hindernis.''

Nee, nee, zeggen ze alledrie beslist: ze hebben geen spijt van de vorm die Pluk uiteindelijk heeft gekregen, mocht dat soms zo klinken.

Hoofdkantoor

Twee jaar geleden kregen ze een telefoontje van hun vaste distributeur, Warner bros – maar dan van het Amerikaanse hoofdkantoor. Of ze eens wilden komen praten.

Sabine Veenendaal, vooral bezig met de productionele kant van de films, zegt: ,,Drie films, drie hits, dat was hun natuurlijk ook opgevallen.''

Bos: ,,In grote Europese landen neemt Warner deel aan productiebedrijven die ze een goede toekomst voorspellen. Daar is het Nederlands taalgebied te klein voor. Dus hebben ze ons gevraagd of wij met hun steun Europese films willen produceren.''

De Rooij: ,,Het kwam precies goed uit, want door de onzekerheid rond de fiscale regels waren wij op zoek naar andere manieren om projecten met grotere budgetten te produceren. Dat geld krijg je in Nederland zonder fiscale steun niet bijeen. Zo waren wij ook al bij Europese projecten uitgekomen.''

Ze hebben twee projecten gekozen om te ontwikkelen. Binnenkort gaan ze die pitchen, zoals dat heet, bij Warner bros. Het eerste is naar het boek Het zig zag kind van de Israëlische schrijver David Grossman. Minoes-regisseur Vincent Bal maakt er een scenario van. Het tweede is een Engelstalige versie van De Kleine Kapitein van Paul Biegel – misschien het begin van een nieuwe filmreeks voor als de titels van Annie M.G. Schmidt aan hun eind zijn? Maar dat zijn ze al bijna. Bos Bros heeft behalve de vier speelfilms ook tv-series gemaakt rond Otje en Ibbeltje. ,,Wiplala'', zegt Burny Bos, ,,moet voor ons de afronding van Annie Schmidt zijn. Hoeft niet zo duur, is maar een klein mannetje.''