Europa hoeft van de VS niet alles te pikken

De bakens zijn verzet. Amerika heeft zijn vernieuwde president, de Palestijnen hebben hun historische leider verloren. Beide veranderingen zullen de gang van zaken in het Midden-Oosten, draaischijf van de geïndustrialiseerde wereld, verder verstoren. Natuurlijk wordt gesproken van nieuwe kansen die voor het grijpen liggen. Zonder kansen is er geen diplomatie, is er geen reden voor missies, conferenties, telefonades tussen leiders, enzovoort.

President Bush springt in dit scenario over zijn eigen schaduw heen en betrekt zijn bondgenoten bij het oplossen van de wereldproblemen. Zonder Arafat zullen de Palestijnse leiders eindelijk in staat zijn zaken te doen met Israël.

Er is één `maar' in deze voorstelling van zaken: Europa moet de eerste stap zetten, de Palestijnen moeten genoegen nemen met een status quo waarvan Israël de regie voert. En gezamenlijk dient men af te wachten wat de tegenpartij daar tegenover stelt.

De bakens zijn verzet, de voortekenen zijn ongunstig. De commandowisseling op het State Department bijvoorbeeld brengt dit ministerie onder de rechtstreekse controle van het Witte Huis. Niets aan de hand, lijkt het, de president heeft uiteindelijk de eindverantwoordelijkheid, ook en vooral voor de diplomatie. Maar staatshoofd en opperbevelhebber zijn gebaat bij adviseurs die een zekere onafhankelijkheid ten opzichte van de macht behouden. Dat geldt voor de geheime diensten, voor de strijdkrachten en niet minder voor de diplomatie. Wanneer de president slechts advies ontvangt dat door de politieke filter is gegaan, kan het beleid afschuwelijk ontsporen. De eerste termijn van deze president kende daarvan verschillende aangrijpende voorbeelden. De kans op herhaling in de tweede termijn is alleen maar toegenomen.

De laatste levensjaren van Arafat stonden inderdaad in het teken van de impasse. Hij was, zo luidt de internationale consensus, verantwoordelijk voor het mislukken van de laatste ronde in het vredesproces die onder Amerikaanse regie had plaatsgehad. Had Arafat de uitgestoken hand van de toenmalige Israëlische premier Barak gegrepen, zo wil de consensus, dan was alles anders gelopen. Dat kan zo zijn, maar daarmee was de Palestijnse leider niet in één keer de enige verantwoordelijke geworden voor alles wat vervolgens is misgegaan. Die constatering relativeert de verwachting dat met Arafats heengaan het voornaamste obstakel uit de weg is geruimd en het vredesproces zijn `gewone' voortgang kan vinden.

In de eerste plaats was Arafat de enige die de Palestijnen ,,bij elkaar hield''. De dissidentie van de fundamentalisten is de afgelopen jaren aanzienlijk toegenomen en daarmee hun potentie als verstoorder van elke toenadering tot Israël. Anderzijds was het isolement dat premier Sharon, met Amerikaanse instemming, Arafat als antwoord op de tweede intifada oplegde, niet in staat de leider van zijn volgelingen te scheiden. Wel fysiek, tot en met zijn begrafenis toe, maar niet in de geest, zo is bij zijn uitvaart wel gebleken. De mannen met wie Arafat, op Amerikaanse instigatie, de laatste jaren het restje macht dat hem was gelaten moest delen, zien de Palestijnen niet als zijn natuurlijke opvolgers. Als die er al zijn, zuchten ze in Israëlische gevangenissen.

Maar Israël is toch voornemens de Gazastrook militair te ontruimen en de joodse nederzettingen daar te ontmantelen? Is dat dan geen hoopvol gebaar van goede wil dat iedere nieuwe Palestijnse leider, wat ook zijn achtergrond mag zijn, zou moeten verwelkomen? Nog afgezien van het niets en niemand ontziende geweld dat aan deze onderneming voorafgaat en dat weinig goeds voorspelt voor de toekomst, de Westelijke Jordaanoever, dat andere fundament onder een denkbare Palestijnse staat, moet voor alle eeuwigheid met joodse kolonisten worden gedeeld op een wijze die iedere staatsvorming, iedere `nation building' bij voorbaat onmogelijk maakt. Zolang de Israëlische regering niet wordt gecorrigeerd, zal de impasse, zal de uitzichtloosheid daarom voortduren.

In die andere brandhaard, Irak, woekert het vuur intussen ongehinderd voort. De stad Falluja die sinds april zuchtte onder een Amerikaanse belegering en die sinds maanden wordt gebombardeerd, is het symbool geworden van alle ellende waarop de Amerikaanse interventie in dat land is uitgelopen. Een Britse verslaggeefster: ,,De stad is vernietigd teneinde haar te redden.'' Het aantal slachtoffers is onbekend, het vermoeden van oorlogsmisdaden gerechtvaardigd. De verzuchting van een eerdere president Bush dat een finale afrekening met Saddam Hoessein Irak én Amerika in een crisis-zonder-einde zou storten, is intussen op een verschrikkelijke manier bewaarheid.

Het uitroken van de laatste verzetshaarden in de stad vergt enige tijd, zo wordt meegedeeld. Maar dat blijkt geen garantie voor het herstel van rust en orde, waar het toch om zou zijn begonnen om verkiezingen begin volgend jaar mogelijk te maken. Temeer niet omdat het gewelddadig verzet in andere Iraakse steden opveert zodra het ergens is neergeslagen. Misschien moeten we naar Afghanistan omzien wanneer we ons een voorstelling proberen te maken van een toekomstig Irak. In Afghanistan zijn inderdaad als geslaagd beoordeelde presidentsverkiezingen gehouden, maar de krijgsheren zijn er de baas, zoals een bezoekende Nederlandse minister onlangs moest constateren.

Wat betekent het verzetten van de bakens voor Europa? De Europese Unie heeft geen buitenlandse politiek, is het onmiddellijke antwoord op die vraag, zoals in de controverse over de interventie in Irak wel is gebleken.

Toenadering tot Amerika is de enige uitweg, zo beweren de geleerden die zich vaak al een volwassen mensenleven lang onledig houden met het bestuderen van de transatlantische betrekkingen. Politici zeggen het hun na. Immers, niets is eenvoudiger dan op de ingeslagen weg voort te gaan.

Maar de controverse over Irak heeft iets anders duidelijk gemaakt. Het is voor Europese landen niet onmogelijk zich van ongewenst Amerikaans optreden te distantiëren. Dat brengt geen onmiddellijke Amerikaanse inkeer, zo is wel gebleken. Maar de rest van de wereld ziet waar Europa staat, althans waar Europese landen staan. Europese landen beschikken over een alternatief.

Die constatering is ook verhelderend voor Europeanen die daaraan tot dusver hebben getwijfeld. Eén en ander zou langzamerhand tot Den Haag moeten doordringen.

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.