Een uitvreter die wacht tot het zijn tijd is

In een van de schaarse interviews die Patricia de Martelaere de laatste jaren gaf, merkte ze op dat er naar haar idee veel tijd wordt verspild met `onzinnige' gevoelens. Met angst bijvoorbeeld, of met rouw of medelijden. Verliefdheid is in haar ogen eveneens een weinig productief gevoel, omdat er zo buitensporig veel tijd en energie mee heengaat. `Pure ballast', zo meende zij. Zij pleit voor een wat fermere, onverschilliger houding tegenover de wereld. Iets minder zelfmedelijden en wat meer `onmenselijkheid', zoals ze het wat provocerend uitdrukte. Ook in haar essaybundel Wereldvreemdheid (2002) wees ze erop hoe slecht `wij', en daarmee bedoelde ze: wij, westerlingen, zijn toegerust op leven en dood en hoe moeilijk wij ons bij het onvermijdelijke neer kunnen leggen.

In Het onverwachte antwoord, haar nieuwe roman – twaalf jaar na de kleine, ontroerende hondenroman De staart – laat ze nog maar eens zien hoe `wij' in het dagelijks leven met onze gevoelens in het reine proberen te komen. Een lesje in praktische filosofie zou ik het niet meteen willen noemen. Daarvoor is De Martelaeres aanpak te weinig didactisch en vooral ook te tegendraads. Duidelijk wordt in elk geval al snel dat zoiets als onthechting hier ver te zoeken is. Het is juist een en al verliefdheid wat de klok slaat en ook de bijbehorende hartstocht is volop aanwezig. Vooral in het tweede deel van de roman gaan alle trossen los en beklaagt een koor van vrouwen zich over de afwezigheid van de geliefde. Steeds draait het daarbij om dezelfde man, Godfried H. geheten. `Ik ben heel beschikbaar – veel meer dan beschikbaar: bezeten', jammert een van hen. Een andere vrouw smeekt hem om haar net zo te willen als zij hem: `Schrijf mij iets, zeg mij iets, wees ontroostbaar ongelukkig. Mis mij. Mis mij vreselijk, zodat je niet kunt slapen. Slaap niet meer.' Dat is mooi gezegd, in zo'n opklimmende reeks van steeds wanhopiger liefde. En nog een ander meldt wat simpeler: `Ik hou dus van jou' of `Ik denk mij gek aan jou'.

Smeekbeden

Godfried zelf krijgen we niet al te scherp in beeld. Hij is de grote afwezige naar wie alle smeekbeden, verlangens, liefdevolle of boze gedachten uitgaan en die deze woeste litanie met zijn kennelijk onweerstaanbare charme weet op te roepen. Op hem heeft wellicht de mensvormige uitsparing betrekking, die op het omslag van de roman te zien is: een leegte die door allerlei verliefde dames wordt opgevuld. Uit de betrekkelijk summiere lichaamskenmerken die over hem worden verstrekt, valt op te maken dat hij een normaal postuur heeft, van middelbare leeftijd is, een kortgeschoren baard heeft en dat zijn van oorsprong donkere haar zowel zijn kleur als zijn volume aan het verliezen is. Hij is een bekende schrijver, die ook les geeft en lezingen houdt. Ik moest een paar keer denken aan Stefan Hertmans, die enigszins aan de beschrijving voldoet.

De schrijver is de persoon op wie alle gepassioneerde aandacht zich richt, maar als romanfiguur krijgt hij nauwelijks contouren. We krijgen alleen inzage in de overvolle hoofden van de vrouwen die iets met hem hebben of zouden willen hebben. In de eerste helft van de roman worden ze één voor één geïntroduceerd. Dat is het meest levendige gedeelte van de roman, waarin De Martelaere ons laat doordringen in de krochten van het menselijk brein. We maken kennis met de schilderes Esther, met de genetica Carla, met de psychoanalytica Anna, met de manisch-depressieve Sybille en met de voormalige letterenstudente Marina. Allen hebben ze een meer of minder hechte liefdesband met de schrijver. Anna, de echtgenote van Godfried, lijkt nog het verst van hem af te staan. Na vijfentwintig jaar huwelijk is ze aan zijn overspeligheid gewend geraakt en kijkt ze er niet meer van op als haar patiëntes op de divan over hem beginnen, en soms over intieme informatie blijken te beschikken. Of bijvoorbeeld Sybille daadwerkelijk een verhouding met hem heeft, of hem alleen kent uit zijn romans of van zijn publieke optredens, blijft subtiel in het midden. Zo is er in Het onverwachte antwoord wel meer dat tussen mogelijkheid en werkelijkheid blijft zweven en zo tot een tamelijk mysterieuze polyfonie aanleiding geeft.

Het is onmogelijk om van bladzij tot bladzij of zelfs van zin tot zin met zekerheid te zeggen wie er aan het woord is en waarover het precies gaat. Er is sprake van verdronken kinderen, van een doodgeboren kind, van een vader die van een schip afspringt, van halve of hele retraites in kloosters, van zelfmoordneigingen en er is veel gegoochel met feiten en gevoelens die elkaar wederzijds zouden uitsluiten. Voeg bij dit alles nog flinke doses liefdesverdriet, jaloezie, verwarring en boosheid en het is duidelijk dat deze roman niet overloopt van vrolijkheid. Toch is het ook niet één groot somber of peilloos droef boek. De nuchtere, droogkomische toon van De Martelaere en haar associatieve redeneertrant zorgen voor de nodige relativering. De dames zijn allemaal wel bezeten van die ene man, maar echt blij zijn ze daar niet mee. Ze zouden beter af zijn zonder die allesoverheersende verliefdheid en zouden zich graag tevreden stellen met wat binnen hun bereik ligt. Gelukkig zijn ze nog wel in staat tot eigen, vaak geestige gedachten.

Kettingrookster

Neem de psychoanalytica. Zij is kettingrookster en denkt bij iedere sigaret die zij opsteekt even aan Freud, die mondkanker kreeg en na enkele operaties een kaakprothese moest dragen waardoor hij zich bijna niet meer verstaanbaar wist te maken. `Misschien', denkt Anna, `is dat wel de reden waarom de analyticus moet zwijgen, gewoon omdat Freud met zijn kaakprothese zelf niet goed meer kon spreken.' Van de nood een deugd maken, heet zoiets.

De schilderes behoort eveneens tot het nadenkelijke type. Als zij iemands portret schildert, dan wacht zij net zo lang totdat het model ophoudt er interessant uit te zien, of probeert te verbloemen dat zijn neus te lang is of zijn kin te slap. `Ze wacht op het moment waarop het gezicht loskomt, als de postzegel van een brief die ligt te weken.' Zij heeft een hekel aan al die ijdeltuiten die hun mooiste gezicht vereeuwigd willen hebben. `Alleen wie niet komt', meent ze, nogal onredelijk, `die had het moeten zijn.'

Ook de meer alledaagse observaties, over kinderen met losse melktanden, verjaardagen die vergeten worden, baby's die allemaal op elkaar zouden lijken, vormen een welkome onderbreking van al die vergeefse liefdesperikelen. Godfried wordt afgeschilderd als een seksueel aantrekkelijke man, maar verder als een betrekkelijk leeghoofd. Hij zou geen gevoelens hebben, geen werkelijke interesses, geen liefde voor muziek, schilderkunst en zelfs literatuur. `Ik heb een hekel aan schrijven', deelt hij terloops mee. Hij noteert wat hij toevallig opvangt en accepteert blijmoedig wat hem aan vrouwenvlees toevalt. Hij is een hedendaagse Uitvreter, maar dan zonder zelfmoordneiging. Hij wacht kalmpjes af tot zijn tijd gekomen is. Wat moeten we met zo iemand? Hij zou ons wellicht, op grond van wat De Martelaere in interviews en essays beweert, tot voorbeeld moeten dienen, maar dat is na lezing en herlezing van de roman niet erg aannemelijk. Wat wil De Martelaere dan met deze man en deze roman? Dat is de vraag waar Het onverwachte antwoord geen antwoord op geeft.

Patricia de Martelaere: Het onverwachte antwoord. Meulenhoff, 286 blz. €17,50