Denken aan maar één ding

Onderwijs wordt hét thema van het derde millennium, voorspelde Tom Wolfe vijf jaar geleden. Dus is zijn nieuwe roman een briljante ontleding van een van de akeligste gemeenschappen die er bestaan: de Amerikaanse universiteit. Maar heeft Wolfe nog gevoel voor de tijdgeest?

Halverwege de ambitieuze nieuwe roman van Tom Wolfe, wanneer de personages uitgebreid geïntroduceerd zijn en de plotlijnen elkaar al beginnen te kruisen, neemt de schrijver even de tijd voor een lesje neurobiologie. Aan het woord komt Victor Starling, een (fictieve) Nobelprijswinnaar die college geeft aan (de al even fictieve) Dupont University. De mens is een dier, doceert hij, dat weten we inmiddels wel; een dier dat de slaaf is van zijn genen. Maar de moderne wetenschap gaat een stap verder. Die lacht om het begrip vrije wil, en om onze overtuiging dat we allemaal een `zelf' in ons hoofd hebben dat `jou' of `mij' verschillend maakt van iedere andere homo sapiens. Volgens de nieuwe generatie neurobiologen zijn we vergelijkbaar met een net gegooide steen die halverwege zijn baan begiftigd is met verstand: hij kan hoogstens dénken dat hij bewust gekozen heeft voor de weg die hij opgaat.

`Man, the Conscious Little Rock' is het onderwerp van I am Charlotte Simmons, dat vorige week met veel publicitair geweld in anderhalf miljoen exemplaren over Amerika en de rest van de wereld verspreid werd. Het individu kun je beschouwen als nieuw terrein voor Tom Wolfe, die zijn faam als romancier in de eerste plaats te danken heeft aan de doeltreffende manier waarop hij de draak stak met verschillende groepen in de Amerikaanse samenleving. In zijn romandebuut The Bonfire of the Vanities (1988), over Amerika in de `Greedy Eighties', waren dat onder meer de snelle beursjongens van Wall Street (de zelfbenoemde Meesters van het Universum) en de konkelende politici van New York City; in A Man in Full (1998) de nieuwe rijken uit het Zuiden en de sappelaars en criminelen van San Francisco. En passant veegde Wolfe, de meester van het meervoudig perspectief, de vloer aan met sporthelden, pulpjournalisten, gettobewoners, technogeeks (computerjongens) en lemon tarts (verzuurde vrouwen op leeftijd).

Niet dat Wolfe in zijn derde roman de ontleding van de exotische ondersoorten van de homo Americanus vaarwel heeft gezegd. Zijn hoofdpersoon is weliswaar Charlotte Simmons, een meisje dat denkt dat zij meer is dan `zomaar een denkend steentje'; maar zij moet zich handhaven in een van de ergste populaties die Amerika volgens Tom Wolfe herbergt: de studenten van een elite-universiteit in Pennsylvania. Hoe een onschuldig meisje uit de bergen van North Carolina te gronde gaat aan de corruptie van de academische wereld – daarover gaat I am Charlotte Simmons. Oftewel: hoe het individu het altijd aflegt tegen de groep; vooral wanneer die groep bezeten is van de drang om uit de band te springen. Niet voor niets wordt de roman voorafgegaan door het verslag van een biologisch experiment waarbij het seksueel losbandige gedrag van gelobotomeerde katten al snel gekopieerd werd door de niet behandelde controlegroep.

`Het is hier geen Sparta, North Carolina,' zegt de mentor van de gemengde studentenflat, met een verwijzing naar het geïsoleerde dorpje waar Charlotte vandaan komt. Maar je zult zien dat het ook geen Sodom en Gomorra is.' Ze liegt dat ze barst – zo zal de leergierige, onervaren, beeldschone bolleboos uit Sparta snel ontdekken. Het rijke corpsmeisje met wie ze een kamer deelt is niet alleen neerbuigend maar ook grof in de mond. De gemeenschappelijke badkamer wemelt van de vieze jochies, die net als de meeste meisjes alleen aan seks en drugs denken. Iedereen haalt nachten door en doet alles behalve studeren. En het duurt niet lang of Charlotte wordt door haar kamergenoot `sexiled': 's nachts uit de kamer gezet omdat Beverly wat kwaliteitstijd wil doorbrengen met een one-night stand. Het hele studentenleven ademt seks: `It was in the air along with the nitrogen and the oxygen! The whole campus was humid with it! tumid with it! lubricated with it! gorged with it! tingling with it! in a state of around-the-clock arousal with it! Rutrutrutrutrutrutrut –'

Deze laatste innerlijke monoloog is van Adam Gellin, maagd op zijn 22ste, verslaggever van de universiteitskrant, ambitieus intellectueel, en een van de drie ouderejaars die als een blok voor Charlotte vallen. De anderen zijn Hoyt Thorpe, een brallerige, zelfverzekerde frat boy (zeg maar corpsstudent) die de beroepsversierder uithangt, en de niet al te snuggere Jojo Johansson, de enige witte speler van het universitaire basketbalteam. Hun lotgevallen worden door Wolfe op een verrassende manier met elkaar vervlochten en vormen bovendien de basis voor een vernietigende beschrijving van de verschillende aspecten van het universitaire leven. Wat te denken van de politiek-correcte discussies van de wereldverbeterende maar o zo materialistische links-liberale studenten; van de verpletterende leegte van de bierzuipende, sportkijkende, oversekste jongensclubs; en vooral van de uitwassen van het zogeheten student-atleetsysteem, waarbij getalenteerde sporters (jocks) naar de universiteit worden gelokt met groupies, SUV's en vakken die aan geen enkele academische standaard voldoen – sarcastisch aangeduid met omschrijvingen als `Stocks for Jocks' (economie) en `Rocks for Jocks' (geologie).

Tom Wolfe de schrijver zou Tom Wolfe de voormalige New Journalist niet zijn als hij zijn onderwerpen niet met een sociologische precisie had geboekstaafd. De proloog van I am Charlotte Simmons heet `The Dupont Man' en beschrijft behalve de motor van de plot – twee frat boys zien hoe een hoge politicus oraal bevredigd wordt door een studente – ook het superioriteitsgevoel van de gemiddelde student aan een Amerikaanse elite-universiteit. Een paar van de beste hoofdstukken zijn gewijd aan de praktijk en vooral de codes van het college basketball, inclusief de verafgoding van de (altijd blanke) coach en de minachting voor iedere speler die de suggestie wekt dat hij ook in andere dingen geïnteresseerd is dan seks, snelle auto's en computerspelletjes. En dan is er de blik op het gebrekkige niveau van sommige colleges aan Dupont University; Charlotte, die vloeiend Frans spreekt dankzij een enthousiaste lerares op de middelbare school, is geschokt als ze merkt dat de lessen Franse literatuur in het Engels worden gegeven en dat de verplichte romans in vertaling worden gelezen omdat de studenten – in de termen van de docent –`linguafrankly challenged' zijn.

,,Onderwijs wordt hét thema van het komende millennium,'' zei Wolfe vijf jaar geleden in een interview met deze krant; ,,al was het alleen maar omdat de invloed van de wetenschap op het dagelijks leven exponentieel toeneemt.'' En onlangs voegde hij daar in een Amerikaanse krant aan toe dat er nooit een echt goede roman over het campusleven geschreven is vanuit het perspectief van de studenten. Wolfe vergat The Rules of Attraction (1987) van Bret Easton Ellis en The Secret History (1992) van Donna Tartt die allebei het bacchantische studentenleven op een chique college in New England schetsen; en hij heeft waarschijnlijk nooit gehoord van Jonathan Coe's House of Sleep (1997) over de bewoners van een Engels studentenhuis. Maar hij heeft een punt als hij bedoelt dat de meeste beroemde campusromans gaan over de uitspattingen en dommigheden van docenten – of het nu Mary McCarthy's baanbrekende universitaire roman The Groves of Academe (1952) is, of een later meesterwerk als The Human Stain (2000) van Philip Roth.

Wolfe heeft ooit gezegd dat hij zich als romanschrijver beschouwt als een ontdekkingsreiziger, `a Cortez reporting back from unknown territories'. Zijn keuze voor de meedogenloze conquistador als rolmodel is minder vergezocht dan het lijkt. Waar hij is geweest wil geen gras meer groeien – wie kan er na The Bonfire of the Vanities en A Man in Full nog enig respect opbrengen voor yuppies, carrièrepolitici, rijke zakenlieden of sporthelden? Hetzelfde geldt na I am Charlotte Simmons voor de bewoners van de academische apenrots. En bovenal voor de studenten, die met elkaar praten in `Fuck Patois' (zie kader), die alleen maar uit zijn op status en seks (wat in Wolfe's analyse op hetzelfde blijkt neer te komen) en die hun dagen vullen met telefoneren, chatten (liefst met de buren op de afdeling), de mode in de gaten houden en bijkomen van een kater. `Het studentenleven was het studentenleven,' merkt een oudere alumnus van de universiteit op wanneer hij getuige is van de collectieve uitspatting die voorafgaat aan een belangrijke basketbalwedstrijd. `Maar dit was ... onfatsoenlijk – immoreel was de term die hem te binnen schoot, maar zelfs dat woord was in onbruik geraakt. Het was verdwenen uit de verfijnde conversatie.'

Het andere lid van Wolfe's controlegroep, de maatstaf voor zijn sociobiologische ontleding van de universiteit, is Charlotte. Met haar landelijke naïviteit en haar in hopeloze eenzaamheid omslaande minderwaardigheidscomplex, is zij het enige round character in de roman, typerend genoeg de enige figuur om wie je niet kunt lachen. In Amerika is I am Charlotte Simmons gekritiseerd omdat dit soort Parcival-achtige meisjes – beschermd opgevoed en op geen enkele manier straatwijs – niet zou bestaan. Maar nog afgezien van de onzinnigheid van zo'n argument (zó wereldvreemd is Charlotte nu ook weer niet), iedere lezer zal moeten toegeven dat Wolfe haar Bildung overtuigend heeft beschreven. Je ziet Charlotte stap voor stap wegzakken; ze verraadt haar ambities, ze verwaarloost haar huiswerk en ze verliest haar maagdelijkheid – alles in een gedoemde poging om erbij te horen. `I am Charlotte Simmons' zegt ze voortdurend tot zichzelf, tot ze zich aan het eind van het boek afvraagt wie die Charlotte Simmons eigenlijk is: een meisje dat oprecht hunkert naar een life of the mind? `Of wilde ze al die tijd gewoon als een bijzonder iemand beschouwd en bewonderd worden en maakte het haar niet uit hoe ze dat bereikte?'

`Innocence lost' – dat is de kortste samenvatting van Wolfe's derde roman. Een mooi Amerikaans thema, dat de basis is van het werk van de negentiende-eeuwse realisten die door Wolfe zo bewonderd worden: Mark Twain (Huckleberry Finn) en Theodore Dreiser (Sister Carrie), alsmede hún grote voorbeelden Balzac en Zola. Zelf noemt Wolfe I am Charlotte Simmons een studie in `het langzaam – misschien niet zo langzaam – verdwijnen van de conventionele moraal.' Dat klinkt als de prelude op een ethisch reveil, en misschien is het dat ook. De behoudende Wolfe, in alles een zuidelijke gentleman, is een aanhanger van George W. Bush en geldt als een van de weinige fictieschrijvers die zich niet hebben gekeerd tegen de neoconservatieve revolutie van de laatste jaren. Als de president (fictie) zou lezen, kon hij een gat in de lucht springen omdat literaire retoriek dit keer voor de verandering wordt ingezet om aan te tonen hoe snel de jeunesse dorée van Amerika op een moreel failliet afstevent. In een biotoop waarin satire doorgaans bedreven wordt door linkse kunstenaars, is Wolfe een witte raaf.

Geen wonder dat er nogal wat critici zijn die Wolfe's nieuwe roman hebben gekraakt. En de stokken om de hond te slaan zijn in het geval van I am Charlotte Simmons de fouten die Wolfe heeft gemaakt bij het weergeven van het studentenleven. Trouw aan zijn overtuiging dat literatuur begint met verslaggeving, en dat realisme voor de moderne roman even onmisbaar is als elektriciteit voor het dagelijks leven, bereidde Tom Wolfe zich eindeloos voor. Naar eigen zeggen bezocht hij van 1999 tot 2003 verschillende universiteiten, waar hij studenten interviewde en door middel van participerende observatie kennismaakte met corpsfeestjes en basketbalbacchanalen. God is in de details bij Wolfe; hoe is het dan in godsnaam mogelijk, vroeg een van de recensenten zich af, dat de studenten in I am Charlotte Simmons rondlopen in Diesel-spijkerbroeken (zó ouderwets), spelletjes doen op een PlayStation3 (niet bestaand) en kijken naar 90210 (hopeloos gedateerd)? Een andere criticaster stoorde zich aan de vaststelling van de alwetende verteller dat The Catcher in the Rye als studentencult is vervangen door National Lampoon's Animal House, een film die meer dan een kwart eeuw oud is.

Is Wolfe inderdaad out of touch? Niet in zijn beschrijvingen van de uitwassen van het studentenleven, zou ik zeggen. Voor iedereen die wel eens een semester op een Amerikaanse universiteit heeft doorgebracht, is I am Charlotte Simmons een orgie der herkenning. Natuurlijk, Wolfe maakt een karikatuur van de werkelijkheid, maar dat deed hij ook in zijn vorige, veelgeprezen romans. Ernstiger is het feit dat hij het verhaal van Charlotte Simmons situeert in een politiek, om niet te zeggen maatschappelijk, vacuüm. De belangrijkste gebeurtenissen van de jaren nul, de vernietiging van de Twin Towers en de daarop volgende oorlog tegen het terrorisme, komen niet eens zijdelings aan de orde. De heetste hangijzers van het tegenwoordige academische concours lijken niet te bestaan – van de Clash of Civilizatons (die de multiculturele samenleving bedreigt) tot de Patriot Act (die de constitutionele vrijheden beperkingen oplegt). En de enige verwijzing naar de islam is het scheldwoord `kamelenneuker' dat een basketballer met een Arabische voornaam naar zich toegeslingerd krijgt. Het lijkt erop of Wolfe tijdens het componeren en schrijven van de roman is overvallen door de actualiteit en niet meer in staat was om daarop te reageren – als een supertanker die zijn koers niet kan verleggen.

Zo valt wel te verklaren waarom de nieuwe roman van Tom Wolfe een beetje tegenvalt. Zijn beheersing van de Amerikaanse spreektaal, of het nu het dialect is van een zuiderling of het sociolect van een zwarte sportman, benadert de perfectie. Zijn psychologische inzicht, gedemonstreerd in schitterende innerlijke monologen, overtreft dat van de meeste van zijn collega's. Zijn stijl is even exuberant als humoristisch, en de plotlijnen die hij uitzet zijn – op een aantal overbodige uitweidingen na – memorabel. Maar hoeveel brille hij ook tentoonspreidt, en hoeveel plezier hij zijn vaste schare fans ook zal schenken, hij toont zich allesbehalve Meester van het Universum. Op 73-jarige leeftijd is Tom Wolfe niet langer het medium van de Zeitgeist, maar `gewoon' een entertainer in de literatuur.

Tom Wolfe: I am Charlotte Simmons. Jonathan Cape, 676 blz. €24,95. Een Nederlandse vertaling verschijnt begin 2005 bij Prometheus.