De mensen zijn gul

Het compleet verbouwde MoMa in New York belichaamt Amerikaanse waarden die de laatste tijd minder courant lijken: smaak, fantasie, durf, optimisme en ingetogen burgerzin.

Het nieuwe Museum of Modern Art van Yoshio Taniguchi is uit geen enkele hoek spectaculair te fotograferen. Van binnen noch van buiten. Dit is níet Frank Gehry's Guggenheim Museum in Bilbao en niet Richard Meiers Getty Museum op de rotsen boven Los Angeles. Dat is geen toeval. Het begrip `modern' is in New York opnieuw gedefinieerd.

Waar je ook staat in het nieuwe MoMa, een gevoel van vrijheid en volmaaktheid komt over je. Dit is zoals een museum moet zijn, zoals ieder gebouw moet zijn, zoals het leven moet zijn. Een universum met ruimte voor individuele verkenning en aansporing tot samenwerking. Een bloeiende tuin waar het werk niet aan af te zien is.

Het klinkt bijna als `gospel light', maar deze vermogende verzamelaars en hun Japanse architect doen niet aan levensbeschouwing, althans niet in dit gebouw. Het nieuwe MoMa roept hogere gevoelens op omdat alles klopt. De architectuur ondersteunt het doel van het museum zo subtiel dat je weken zou moeten rondlopen om te zien hoe Taniguchi dit samenraapsel van gebouwen wist te herleiden tot een harmonische eenheid.

Het schema is oppervlakkig gezien simpel. Door aankoop van het Dorset Hotel en aangrenzende panden kon van het van oudsher aan de 53ste straat gelegen museum worden uitgebouwd tot de 54ste straat. Uit beide straten is nu toegang tot een gelijkvloerse entreehal, met daarboven een atrium dat zich uitstrekt van de eerste tot en met de vijfde verdieping. In het atrium torent Barnett Newmans Broken Obelisk. Daar omheen ligt een los labyrint van zalen en zaaltjes. Alles is wit, sober en strak, niets leidt af. De belichting suggereert daglicht.

Kunstwerken spelen hier de hoofdrol. En het zijn er niet zomaar een paar. Alle groten van 1880 tot vorig jaar zijn vertegenwoordigd. De ruimtes variëren van immens tot intiem, maar nergens raak je de koers kwijt: overal zijn doorkijken naar de beeldentuin en naar de `lichttuin', zoals Taniguchi zijn atrium noemt, uit afkeer van het tot cliché verworden atrium in veel kantoorgebouwen. Waar mogelijk legt een buitenraam verband met de omringende stad.

Het nieuwe Museum of Modern Art is een verhaal van superlatieven. Het project kost 858 miljoen dollar, werd een jaar te vroeg opgeleverd en kwam tot stand met `slechts' 65 miljoen dollar van de gemeente. Het is voortaan een van dé grote gebouwen van New York, maar niet omdat het hoger is dan alle andere, of het raarste, duurste of lawaaiigste gebouw is in een stad van uitersten.

Het MoMa is een hoogtepunt omdat het Amerikaanse waarden belichaamt die de laatste tijd minder in het nieuws zijn: smaak, fantasie, durf, optimisme en ingetogen burgerzin (voor de allerrijksten). De lat wordt bijna onbereikbaar hoog gelegd voor andere musea in de wereld. Niet alleen de fondsenwerving, die dit heeft mogelijk gemaakt, is moeilijk te evenaren. Ook de doordachte flexibiliteit die vorm en functie van het museum naadloos aan elkaar heeft gelast, is uniek. Niks moet, alles mag, en toch is er visuele discipline.

Competitief

Hoe kunnen andere musea zich hier mee meten, zonder te worden gezien als dorpshuizen uit de vorige eeuw? Directeur Glenn Lowry zegt in een gesprek aan de vooravond van de opening dat hij concurrentie verwelkomt: ,,De wereld van de cultuur is even competitief als de zakenwereld. Wij concurreren met elkaar om kunstwerken, bezoekers, leden, bestuursleden, sponsors, kapitaal en prestige. Ik hoop dat de voorzieningen die wij hebben getroffen voor dit project – een studie- en opslagcentrum in Queens, verruiming van het vaste kapitaal en de aankopen van de laatste vijf jaar – ons in staat zullen stellen nog concurrerender te zijn.''

Lowry heeft het deze week 75-jarige museum opnieuw uitgevonden. Hij heeft honderden miljoenen bij elkaar gebracht, het museum vier jaar draaiend gehouden in Queens terwijl in midtown Manhattan het bestaande complex binnenste buiten werd gekeerd en bijna verdubbelde van oppervlak. Intussen gingen de aankopen door. En dat alles in een periode waarin andere musea, zoals het Guggenheim met een Gehry aan de rivier, afzagen van nieuwbouw. 9/11 benam velen de moed.

Hij heeft als manager zijn sporen verdiend. De bestuursleden (`trustees') honoreren Lowry's prestaties met een jaarinkomen dat volgens The New York Times is opgelopen tot boven de zes ton. Enkele critici menen dat onder zijn bewind het MoMa `meer op een bedrijf dan op een museum is gaan lijken' (Art Review), en dat het MoMa, met de `luchtarme witte ruimtes van een winkelcentrum, een logisch eindpunt [is] van de Thomas Krenz/Guggenheim-mentaliteit: grandioos uitgedoste, doelloze ijdelheid' (ArtNet).

Wie Glenn Lowry hoort vertellen over de artistieke drijfveren van het nieuwe museum, bespeurt geen commerciële motieven. Hij verdedigt met verve het idee van een privaat museum. Zijn `trustees' hebben hun betrokkenheid bij het museum getoond door samen 500 miljoen van de nu ingezamelde 725 miljoen dollar op te brengen. Hun bijdragen varieerden van 5 tot 85 miljoen dollar – en wie wat inlegde zal nergens worden vermeld. Op de `founders wall' komen alleen hun namen.

In Europa bestaat de vrees dat bestuursleden, die vanwege hun geld onmisbaar zijn, bij musea als het MoMa het artistieke beleid soms in een richting drijven die conservatoren niet zouden kiezen.

Lowry: ,,Dat is een oud lied, gebaseerd op een diep wantrouwen jegens rijkdom en angst voor de machtigen. Daar is een enkele keer misschien aanleiding voor, maar in het algemeen berust het succes van Amerikaanse musea op de daadkrachtige steun van een zelfgedefinieerde elite die de verantwoordelijkheid voor het voortbestaan van die instellingen op zich heeft genomen.

,,Ons bestuur bestaat uit zeer goed geïnformeerde, hartstochtelijke verzamelaars die met ons van gedachten wisselen. Soms zijn het verhitte discussies over de vraag of we een bepaald werk aan de collectie moeten toevoegen. Wat wilt u liever: een overheidsfunctionaris die het werk van Luc Tuymans niet kan onderscheiden van een polshorloge? Ik kies voor een aankoop-commissie uit ons bestuur.''

Instemming

Het MoMa kan geen aankopen doen of schenkingen aanvaarden zonder instemming van het bestuur, dat beslist over voorstellen van de directeur en de conservatoren. De artistieke leiding richt het museum in en bepaalt het tentoonstellingsbeleid. Lowry: ,,De trustees zien het als hun rol het museum in staat te stellen de collectie uit te breiden.''

Het afgelopen jaar kon het museum voor 100 miljoen dollar aankopen doen. De fondsenwerving voor dat doel stond los van de campagne om geld op te halen voor de nieuwbouw. Daarnaast ging ook de gewone inzameling door die de lopende begroting van het museum voedt: van de jaarbegroting van 90 miljoen werd meestal de helft opgehaald bij gulle gevers (de rest komt uit kaartverkoop en commerciële activiteiten). Na de opening van het grotere museum zal de jaarbegroting naar 120 miljoen gaan – de liefhebbers zijn gewaarschuwd.

Lowry: ,,Ik zou voor geen geld willen ruilen met mijn Europese collega's waar de overheid eigenaar is en de verantwoordelijkheid draagt. Daar kan de overheid een museum zeggen met welke sociale, artistieke en intellectuele kwesties het zich bezig moet houden. En een museum sluiten als men niet waardeert wat er gebeurt. Ik heb het niet over het Oostblok. Overheden bemoeien zich ook in West-Europa met wat musea doen, zeker in Frankrijk. Engelse museumdirecteuren vertellen me dat zij subsidies kunnen krijgen voor bepaalde programma's die hen aan banden leggen.

,,Het grootste verschil met overheidsmusea is dat wij veel meer geld tot onze beschikking hebben. Wij hebben een groep mensen die zich verbonden voelen met ons museum en vaak enorme bedragen beschikbaar stellen voor aankopen. Private en overheidsmusea zien er min of meer hetzelfde uit, maar zij zijn zeer verschillend.

,,Dit systeem werkt goed omdat er onderling vertrouwen is en wij de verantwoordelijkheden duidelijk hebben afgebakend. Alle betrokkenen geloven dat de particuliere sector een taak heeft bij het behartigen van culturele belangen. In Frankrijk vindt men dat de particulier daar buiten moet blijven, dat het een staatszaak is. Hier niet.''

De betrokkenheid van de bestuursleden bij het vernieuwingsproject van het MoMa was zo groot dat er al 300 miljoen op tafel lag voor de inzameling van start ging. Onder leiding van cosmetica-erfgenaam Ronald Lauder en bankier Robert Menschel, brachten onroerendgoedontwikkelaar Jerry Speyer, bankier Donald Marron, Time Warner-baas Richard Parsons, bank-erfgename Agnes Gund en tientallen andere bestuursleden de middelen voor dit project bijeen.

Het is een traditie die is gegroeid rond het Museum of Modern Art. Er zijn meer liefhebbers dan genodigden voor het MoMa-bestuur. Wie vraagt: `wat kost het per jaar?' krijgt geen direct antwoord, vertelt onderdirecteur Mike Margitich. Als hoofd-fundraiser zorgt hij dat met kandidaat-bestuursleden eerst uitvoerig over hun voorkeuren in de kunst wordt gesproken. Wie niet verzamelt maakt weinig kans. Veelbelovende vermogende jongeren worden geduldig opgeleid en in de MoMa-familie opgenomen.

,,Wie bij het bestuur betrokken raakt ziet vanzelf wel wat er nodig is'', zegt Margitich. ,,Er wordt een niet gering beroep op deze mensen gedaan. Voor de nieuwbouw, voor de uitbreiding van het vaste kapitaal, voor aankopen, voor speciale tentoonstellingen en de lopende exploitatie. Het niveau van steun waar wij op kunnen rekenen is bijzonder hoog. Gelukkig. En men doet het niet voor de naamsbekendheid, want wie wat geeft wordt niet gepubliceerd.''

Bestuursleden moeten áls zij willen geven, geld geven. Zij mogen geen kunst schenken – dat zou de verdenking kunnen creëren dat zij kunst, die zij zelf bezitten, in waarde willen doen stijgen door de `erkenning' van het MoMa. Margitich: ,,De mensen zijn gul. Zij zijn dol op dit instituut''.

Wat de motieven voor al die gulheid ook mogen zijn, het resultaat is een verzameling van een enorme omvang. Men blijft kopen, de productie van kunst gaat door, maar zelfs in het vergrote complex kan maar één procent van het bezit worden getoond. Wie er rond dwaalt heeft daar weinig last van. De kwaliteit is constant en verbluffend, al is er kritiek op mogelijk.

Trappenhuis

Sommigen klagen dat Damien Hirst, de Brit die koeien doorsnijdt en in een vitrine plaatst, het niet verder heeft gebracht dan het trappenhuis. Dat is beter dan Julian Schnabel, Keith Haring, Gilbert and George, Tony Cragg en Anselm Kiefer die helemaal geen plekje hebben gekregen in de jongste interpretatie van waar het in de vorige halve eeuw volgens het MoMa over ging.

Het is zeker een tegenslag voor kunstenaars die uit de boot vielen, maar volgend jaar kan het weer anders zijn. Hoofdcurator John Elderfield vertelt dat sommige zalen volgend najaar al weer opnieuw worden ingericht. ,,Wij laten daar geen jaren meer overheen gaan, al was het maar om nieuwkomers én geregelde bezoekers genoeg te bieden om naar uit te kijken.''

Het nieuwe museum kan het best worden bekeken door van boven naar beneden te lopen. Op de vijfde verdieping (6th floor) zijn enorme ruimtes voor tijdelijke tentoonstellingen. Afdalend komt men bij de al grotendeels op blijvend belang `gesorteerde' late 19de-eeuwse en vroege 20ste-eeuwse kunst. Op de vierde verdieping bepalen gevarieerde sterren als Picasso, Bonnard, Hopper, Wyeth, Klee en Mondriaan het beeld, met Malevitsj, Rodchenko, Schwitters en een paar top-Matisses.

Op de derde is de nieuwere schilder- en beeldhouwkunst van de 20ste eeuw te zien. Beuys, Sol Lewitt, Warhol, Jasper Johns, Rauschenberg en Jackson Pollock komen prachtig uit. Op de tweede wordt de ruimte gedeeld door architectuur, design, fotografie en tekenkunst. Beneden zijn de hoogste zalen ingeruimd voor `hedendaagse kunst', een begrip dat het MoMa onderscheidt van `moderne kunst'. Elderfield: ,,`Modern' is impliciet 'progressieve kunst'. `Hedendaags' is wat nu wordt gemaakt. Wij hebben van oudsher die lijn getrokken en niet alles vertoond wat nieuw is.''

Hoe ouder een modern museum wordt, hoe minder modern zijn kunst wordt. Dat gevaar heeft directeur Glenn Lowry er toe gebracht het nieuwe gebouw zo op te zetten dat de functie van het MoMa als `laboratorium' tot zijn recht komt. De opstelling van de kunstwerken in het museum is in zijn woorden `een voorlopige interpretatie van de ontwikkeling van de moderne kunst'.

Lowry: ,,Vroeger hadden we een lineaire inrichting, als kralen aan een koord. Alsof er maar één manier was om de ontwikkeling te zien van Cézanne en de post-impressionisten, via Picasso en Matisse naar de futuristen, de constructivisten en de abstracte expressionisten. Dat was erg rigide. Nu hebben we een opener en minder dwingende indeling van zalen. Die maakt het zien van dwarsverbanden mogelijk, tussen tijdgenoten en niet-tijdgenoten.

,,Het verhaal wordt ingewikkelder maar ook spannender. Het is onze opdracht zolang mogelijk te vermijden oordelen vast te leggen en historisch te worden. Maar er is een punt waarop 1990 niet meer `modern' kan worden genoemd. Is dat in 2004 of in 2300? Wij bestaan in die ruimte tussen het directe verleden en wat vandaag wordt gemaakt. Dat directe verleden is voor encyclopedische musea zoals het Louvre de laatste schakel in een lange historische ontwikkeling. Voor ons is het zaak het directe verleden te vergelijken met de hedendaagse kunst, en zo enige orde te scheppen in wat er gebeurt, zonder alles vast te leggen.''