Verwacht niet te veel van de kennisbox

Dé noviteit in het belastingplan dat de Tweede Kamer deze maand behandelt, is het idee om het tarief van de vennootschapsbelasting te halveren voor inkomsten uit onderzoek en ontwikkeling. De kenniseconomie heeft immers de toekomst. Wat pleit eigenlijk voor deze zogenoemde `kennisbox' behalve dat het de wijsheid van bijna iedere beleidsmaker schijnt te zijn?

Het allerbelangrijkste eerst: `Hoe weet de overheid waar we moeten investeren?' Misschien is Nederland een handelsland met een beetje maakindustrie en moeten we het uitvinden aan anderen overlaten.

De kennisbox is er ook een voorbeeld van dat het op deze wijze versterken van de concurrentiekracht en het tegelijk streven naar administratieve lastenverlichting vechten tegen de bierkaai is. Tien procent van het bedrag gaat in de regel sowieso al op, zo staat in de miljoenennota, aan administratieve lasten voor de ondernemer om aan criteria te voldoen voor de aparte kennisbox – om over de administratieve lasten voor de overheid maar te zwijgen. De inventiviteit van ondernemers om aan deze criteria, zelfs wat betreft hun saaiste research, te voldoen, zal enorm zijn; er valt immers geld mee te verdienen. Wat te besluiten over bedrijven die hun research geheel of gedeeltelijk, omdat het efficiënt is, in India of Amerika doen, maar hier een belastingvoordeel claimen?

Hoe weet je dat de kennisbox onderzoek stimuleert? De praktijk bij het steunen van innovatieve bedrijven is dat vele het zonder steun ook hadden gedaan. Het geld wordt in dank aanvaard en wordt indirect doorgeschoven naar standaardprojecten.

Bovenal betalen, in geval van een apart laag tarief voor de kennisbox, andere bedrijven hieraan mee – het algemene tarief had immers ook lager gekund. Bij een lager algemeen tarief zou het geld in handen zijn gebleven van en gebruikt zijn door bedrijven die op andere terreinen succesvol zijn. Bij slecht lopende bedrijven valt immers niet veel te halen. Wat zou daarvan niet het nu ongeziene voordeel zijn geweest?

De hamvraag die ieder Kamerlid en iedere ondernemer zich bij de voorgestelde kennisbox moet stellen, zich daarbij voor de spiegel recht in de ogend kijkend, luidt: ,,Denkt u werkelijk dat we meer banen en welvaart scheppen met een aparte kennisbox dan met een algemene verlaging van de vennootschapsbelasting – het veel geroemde gelijke speelveld?'' Concreet, stel, we schrappen alle specifiek op het bedrijfsleven gerichte subsidies (de landbouwsubsidies laten we buiten beschouwing) en belastingfaciliteiten. De vennootschapsbelasting van 13 miljard euro zou dan voor ieder bedrijf met de helft omlaag kunnen.

Na centrale loonmatiging, innovatieplatform en industriebrief is het patroon duidelijk: overheid en industrie hebben elkaar weer ontdekt – de overheid neemt de industrie bij de hand. Waar is de tijd, dat een regeringsleider het had over de dertien meest verschrikkelijke woorden: ,,Ik ben van de overheid en ik ben hier om u te helpen.'' (Ronald Reagan). Waar is de tijd dat een handelaar zei: ,,Laissez-nous faire.'' Dit als antwoord op de vraag van de Franse minister van Industriepolitiek uit de 17de eeuw: ,,Hoe kan ik u helpen?'' De kennelijke noviteit van een zelfsturende markt waar ondernemers het kapitaal daar aanwenden waar het het meeste voor de consumenten van nut is (de industrie van de toekomst), en bovenal risico lopen (iets wat een overheidsdienaar nooit doet), is ver te zoeken.

Het kan anders. Het is geen zaak van zwart en wit, maar de accenten zijn duidelijk. In Amerika verlaagt president Bush de belastingen fors en zegt voor de rest: zoeken jullie het zelf maar uit, jullie zijn er mans genoeg voor.

Laten Balkenende en Bush maar eens hetzelfde beroemde wedje maken als de presidenten van Ivoorkust en Ghana. In 1958 sloten ze een weddenschap af wiens land tien jaar later het meest welvarend zou zijn. Ivoorkust koos voor een kapitalistische koers, Ghana voor een meer socialistische. Na tien jaar overvleugelde Ivoorkust Ghana op alle punten, zo zelfs dat de armste inwoners van Ivoorkust het nog beter hadden dan de rijkste inwoners van Ghana.

Dr. A.R. Leen is docent rechtseconomie aan de Universiteit Leiden.

noviteit is ver te zoeken