Letterenprijs voor Haasse

Schrijfster Hella Haasse kreeg gisteren de Prijs der Nederlandse Letteren uit handen van koningin Beatrix. Haasse is de tweede vrouw die de prijs ontving.

Koningin Beatrix en schrijfster Hella Haasse kennen elkaar al bijna vijftig jaar. Eind 1955, kort voor Beatrix' achttiende verjaardag, bezocht Haasse de prinses in het kader van een te verschijnen boek met opstellen waarmee Beatrix' meerderjarigheid gevierd zou worden. ,,Bijzonder prettige contacten'' waren dat, zei Beatrix gisteren in de Grote Balzaal van het Paleis Noordeinde, waar zij de nu 86-jarige Haasse de Prijs der Nederlandse Letteren overhandigde. Onder de genodigden, waren schrijvers als Charlotte Mutsaers, Arthur Japin, Renate Dorrestein en Monika van Paemel.

Haasse schreef een ,,welwillend'' portret van haar, aldus Beatrix, ,,met begrip voor de misschien wel lastige tiener die ik was''. Later nodigde Beatrix de schrijfster uit voor de culturele ontmoetingen op Drakensteyn, waar beiden ,,meer ontspannen'' waren.

Lievelingstitel van Beatrix uit Haasses oeuvre van bijna zeventig titels was De tuinen van Bomarzo (1968), waar ze, toen ze er later ,,met man en zoons'' kwam, het gevoel had dat Haasse ,,onzichtbaar met ons meeliep''. In het juryrapport van de Prijs, dat bij afwezigheid van de door ziekte verhinderde voorzitter Jozef Deleu werd voorgelezen door jurylid Elisabeth Leijnse, werd Haasse behalve als historisch ook als autobiografisch, feministisch en Indisch auteur geprezen.

,,Ik durf mezelf vandaag een gelukkig mens te noemen'', opende Haasse haar dankwoord, en ze vervolgde met een opsomming van alle ,,geluksdingen'' die haar leven vorm gaven: haar jeugd op Java, waar haar zintuigen ontwaakten, in een tijd dat ,,goed taalgebruik nog als een teken van ontwikkeling gezien werd''; de ontdekking van het lezen en later het schrijven, wat haar deed kiezen voor een ,,naar binnen gekeerd bestaan''. En haar familie, dankzij wie Haasse de ,,eenzelvigheid'' van het kunstenaarsschap ook weer kon opheffen.

Haasse, die eind jaren vijftig aan het toen beginnende debat over vrouwenemancipatie bijdroeg met een opstel getiteld Iedere vrouw heeft tijd om te lezen, is de zeventiende winnaar van de in 1956 opgerichte, driejaarlijks door de Nederlandse Taalunie uitgereikte Prijs der Nederlandse Letteren, en de tweede vrouw na Christine d'Haen (1992). Met de bekroning van een tweede Nederlandse auteur op rij, na Gerard Reve in 2001, brak de jury bovendien met de gewoonte om de prijs aan beurtelings een Nederlandse en een Vlaamse auteur toe te kennen. Van der Horst: ,,Het zou onrechtvaardig zijn om die afwisseling voort te zetten. Er zijn 6 miljoen Vlamingen en 15 miljoen Nederlanders. Dan maken de Vlamingen dus veel meer kans.''

Toen tijdens het het jury-overleg duidelijk werd dat de winnaar ,,niet noodzakelijk'' een Vlaming hoefde te zijn, aldus Van der Horst, was ,,binnen anderhalf uur'' de unanieme keuze voor Haasse gemaakt. ,,De enige andere serieuze kanshebber was Leo Vroman.''

De Prijs der Letteren wordt gezien als een `fin-de-carrière'-prijs, maar die kwalificatie zei Harry Mulisch, winnaar in 1992 weinig. Hij schreef gewoon door, vertelde Mulisch (77) gisteren op de receptie na afloop. ,,Als je zo oud wordt als wij, trek je je van dat soort dingen niets meer aan.'' Voor Haasse, die zich op tevreden zittend in een stoel liet fêteren, ligt dat anders: ,,Dit is een mooie afronding van je leven als schrijver. Ik heb geschreven wat ik op mijn hart had. Als de omstandigheden het toelaten, zou ik nog wel graag een paar korte verhalen uitwerken. Dus wie weet.''