Hirschfeld: opportunist, verrader of staatsman?

De pro-Duitse gezindheid van topambtenaar H.M. Hirschfeld op het ministerie van Economische Zaken is altijd een raadsel geweest. Arie van der Zwan probeert het te ontrafelen.

Hij speelde een groots spel. H.M. Hirschfeld was in Nederland vóór, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog de machtigste ambtenaar op het gebied van industrie- en handelspolitiek. De man die in 1947 werd belast met de toewijzing van de Marshallhulp voor de wederopbouw van Nederland was datzelfde jaar gezuiverd voor zijn samenwerking met de Duitse bezetter als secretaris-generaal op het ministerie van Economische Zaken. Ook al had hij als directeur-generaal voor Handel en Nijverheid vanaf zijn benoeming in 1931 een bewuste economische oriëntatie van Nederland op Duitsland nagestreefd.

Was Hirschfeld een loyale ambtenaar die aanbleef om onder de moeilijke omstandigheden van de bezetting er het beste van te maken voor het bedrijfsleven en de bevolking? Was zijn opstelling als bestuurder verwijtbaar gedrag of een briljante misleiding van de bezetter om de Nederlandse zaak te dienen? Was hij een opportunist, een verrader of een staatsman?

Arie van der Zwan laat er geen misverstand over bestaan dat Hirschfeld naar zijn mening niet deugde. In een fascinerende biografie getiteld H.M. Hirschfeld. In de ban van de macht, die vandaag aan minister Brinkhorst van Economische Zaken is gepresenteerd, werkt hij toe naar een onontkoombare conclusie. Die bereikt hij in de laatste alinea van zijn boek waar hij een uitspraak van toneelschrijver Harwood citeert over het complexe karakter van een dubbelspion: ,,Zoiets fascineert me in mensen. Dat ze op de vlucht gaan voor zichzelf en hun eigen innerlijk. Soms overgaan tot verraad.''

Deze verdenking van dubbelspel is de rode draad in het betoog van Van der Zwan. De econoom van PvdA-huize heeft zijn intellectuele bakens verzet. In het verleden hield hij zich bezig met industriebeleid, onder meer als auteur van een industrierapport (1981) en als lid van de commissie-Wagner in de jaren tachtig. Tegenwoordig legt hij zich toe op andere onderwerpen en probeert hij als thrillerschrijver het raadsel van Hirschfeld te ontrafelen.

Van der Zwan betoogt dat Hirschfeld als topambtenaar bij EZ vanaf de jaren dertig Duitse belangen heeft gediend. Dit blijft, zoals hij zelf enkele keren herhaalt, een veronderstelling die weliswaar niet uit de lucht is gegrepen en waarvoor talloze aanwijzingen bestaan, maar die evenmin ondubbelzinnig valt te bewijzen. Uiteindelijk heeft hij na vierhonderd pagina's van argumenten geen definitieve aanklacht. Van der Zwan doet daarom een beroep op Stefan Zweig, de Oostenrijkse schrijver die een roman (1929) over Joseph Fouché heeft geschreven. Fouché was de minister van politie na de Franse revolutie en een vertrouweling van Napoleon. Hirschfeld, betoogt Van der Zwan, moet worden vergeleken met Fouché, de overlevingskunstenaar tijdens wisselende regimes. Beiden waren uiteindelijk alleen maar geïnteresseerd in het spel, zonder dat het er toe deed welke meester ze dienden.

Hans Max Hirschfeld (1899-1961) was een nieuwkomer, een `onaanzienlijk joodje' in de woorden van een tijdgenoot, zoon van een Duitse immigrant uit Letland die zich omstreeks 1900 in Rotterdam had gevestigd als scheepsbemiddelaar voor Oost-Europese emigranten op weg naar de Verenigde Staten. Hij was een harde werker, scherpzinnige geest, zelfverzekerde bestuurder, koelbloedige man, die ongetrouwd bleef en mogelijk homoseksueel was. Een overlever.

Na een korte carrière in het bankwezen, onder meer in Nederlandsch-Indië, kreeg Hirschfeld in 1931 onverwacht een hoge positie op het ministerie van Economische Zaken. Daar trok hij het internationale handelsbeleid naar zich toe en zette hij haast monomaan een op Duitsland georiënteerde politiek in. Er bestond in de jaren dertig een machtige pro-Duitse zakenlobby in Nederland, geleid door Fentener van Vlissingen, de directeur van de Steenkolen Handelsvereniging, en door Posthuma, een oud-minister van landbouw. Nederland had in die tijd een chronisch handelstekort met Duitsland – de import van Duitse goederen, met name steenkolen, was veel groter dan de export van zuivel en tuinbouwproducten – en er waren voortdurende deviezen- en betalingsproblemen. Hirschfeld koos er telkens voor om Duitsland tegemoet te komen. Nauwere economische betrekkingen met Groot-Brittannië of met kleinere Europese landen, waardoor de Nederlandse economie minder afhankelijk van Duitsland zou zijn, wees hij af. Hij ging zelfs zo ver dat hij wapenaankopen voor de Nederlandse krijgsmacht in Duitsland plaatste. Zelfs na het begin van de Tweede Wereldoorlog in september 1939 bestelde hij nog luchtafweergeschut, dat overigens nooit geleverd werd. Deze orders, schreef hij in een brief aan de Duitse minister van Economische Zaken Funk, dienden ter versterking van de concurrentiepositie van de Duitse industrie. Vlak voor de Duitse inval in Polen ontving Hirschfeld in Berlijn een hoge Duitse onderscheiding.

In de meidagen van 1940 verschanste het Nederlandse kabinet zich in het ministerie van Economische Zaken aan het Bezuidenhoutseweg in Den Haag. Hirschfeld trok na de capitulatie de hoogste ambtelijke leiding naar zich toe en speelde daardoor een centrale rol in de snelle inlijving van het Nederlandse bedrijfsleven in de Duitse oorlogseconomie. `Zwichten onder protest', heette dit na de oorlog. Van der Zwan is meedogenlozer in zijn oordeel: de Nederlandse bereidheid om ingeschakeld te worden in de Duitse oorlogseconomie bleek overweldigend groot. In de eerste oorlogsjaren ging de Duitse markt open, veerde de economie op en nam de werkgelegenheid toe. Maar de handel werd vanaf 1941 afgerekend in Reichsmarken die geen enkele waarde hadden. Later eigenden de bezetters zich een steeds groter deel van de Nederlandse productie toe, in 1942-'43 oplopend tot 40 procent. De Nederlandse economie was een verlengstuk van de Duitse oorlogseconomie geworden, het land werd leeggeroofd en de bevolking in West-Nederland stond een gruwelijke hongerwinter te wachten.

De zuiveringscommissie die Hirschfeld in 1947 vrijpleitte, stond onder voorzitterschap van Fentener van Vlissingen. Hirschfeld had het beste met Nederland voorgehad in de oorlog. Maar de kernvraag werd niet gesteld: hoe was het mogelijk dat de hoogste Nederlandse ambtenaar die belast was met industrie, handel en voedselvoorziening ongeschonden de oorlog was doorgekomen? Een jood nog wel, die het Duitse ontslag van joodse ambtenaren in 1941 en de jodenvervolging in de jaren daarna zonder onderduiken had overleefd? Van der Zwan kan maar één verklaring verzinnen: Hirschfeld genoot Duitse bescherming. Ergens in het politieke en bureaucratische complex van nazi-Duitsland, dat bol stond van tegenstrijdige belangen nastrevende machtsklieken, genoot Hirschfeld protectie.

Maar wie of wat die bescherming verschafte, weet Van der Zwan niet met zekerheid te achterhalen, wellicht mede omdat Hirschfelds privé-archief na zijn dood op zijn verzoek is vernietigd. Hij heeft wel een aantal aanwijzingen. Mogelijk werkte Hirschfelds vader onder de dekmantel van het passagekantoor voor emigranten al voor de Duitse inlichtingendienst, de Abwehr, en zou zoon Hans Max deze activiteiten hebben voortgezet. Zeker is dat Hirschfeld in zijn Indische periode kennis heeft gemaakt met Duitse zakenlieden, geïnteresseerd in grondstoffen en aardolie. Die contacten zou hij later hebben voortgezet met zakenlieden van de Keppler Kreis, die zich in de invloedssfeer van SS-leider Himmler bewogen.

Van der Zwan maakt het aannemelijk, maar onomstotelijk bewijzen doet hij het niet. Wel geeft hij met deze biografie een bijzonder inzicht in de Nederlandse handelspolitiek voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. En in de machinaties van een ambtenaar die onder extreem verschillende omstandigheden dertig jaar lang zijn stempel op het Nederlandse handels- en industriebeleid heeft gedrukt. Hirschfeld heeft een groots spel gespeeld, dat vermoedelijk nooit volledig zal worden opgehelderd. Maar intrigerend blijft het.

Arie van der Zwan: H.M. Hirschfeld, In de ban van de macht. 414 pagina's. Meulenhoff, Amsterdam 2004, €25.