Bush leest geschiedenisboeken

Nu president Bush zijn verkiezingsoverwinning heeft veiliggesteld, zal hij ons wellicht verrassen door de internationale gemeenschap olijftakken voor te houden, voorspelt Paul Kennedy.

Het is algemeen bekend dat de herkozen president van de Verenigde Staten geen groot lezer van geschiedenisboeken is, dus verdient het de aandacht als hij zich eens wél verdiept in vroeger tijden en leiders van weleer.

Zo had George Bush naar verluidt in de zomer, voordat hij besloot Irak binnen te vallen, grote belangstelling voor het betoog van Eliot Cohen, hoofd Strategic Studies aan de Johns Hopkins-universiteit, in diens belangrijke studie Supreme Command: Soldiers, Statesmen and Leadership in Wartime. Cohen stelt daarin dat de echt doorslaggevende leiders in oorlogstijd (als casestudies koos hij Lincoln, Clemenceau, Churchill en Ben-Gurion) degenen waren die op het ogenblik van de uiterste beslissing de voorzichtige militaire raad in de wind durfden te slaan.

De les voor het heden was duidelijk: hoeveel zorgen de Amerikaanse generaals zich ook mochten maken dat het leger te veel hooi op zijn vork nam en hoe beducht Colin Powell ook mocht zijn voor internationale afkeuring, de president was vastbesloten om standvastig te zijn. Net als zijn grote held Churchill zou hij zijn volk mobiliseren om de wereld van een verachtelijke tiran te verlossen.

Ik vond het daarom heel belangwekkend dat ik laatst van een collega hoorde dat Bush geboeid is geraakt door de carrière van Bismarck, de verbluffend succesvolle politicus die Pruisen en Duitsland verenigde en daar bijna 30 jaar (1862-1890) de leiding over had.

Zoals we weten uit biografieën van de Duitse kanselier, zoals de prachtexemplaren van de professoren Otto Pflanze en Lothar Gall, waren er eigenlijk twee Bismarcks.

De eerste was de `witte revolutionair' (de beroemde benaming van Kissinger in zijn artikel in Daedalus in 1968), die in één dramatisch decennium Duitsland maar ook heel Europa op zijn kop zette – door de geslaagde oorlogen tegen Denemarken (1864), het Habsburgse Rijk (1866) en Frankrijk (1870-71) op touw te zetten, door de westelijke en zuidelijke Duitse staten onder te brengen in een Tweede Duitse Rijk dat werd overheerst door Pruisen, en door de liberale oppositie volledig te verwarren en ontmoedigen.

Maar zodra Bismarck deze doelstellingen had verwezenlijkt, richtte hij zich op iets anders: op stabiliteit, op de vorming van een diplomatiek netwerk en bilaterale verstandhoudingen die een toekomstige oorlog over heel Europa onmogelijk zouden maken, en op de handhaving van de conservatieve orde in eigen land (door een mengeling van stokken en wortels, uiteenlopend van de anti-socialistenwetten tot de invoering van pensioenen en verzekeringen in Duitsland). De revolutionair werd een drijvende kracht achter internationale law and order. De `wilde Junker' veranderde in een oude staatsman, de `eerlijke makelaar'.

Zou de president in zijn tweede termijn deze kant opgaan? Ik weet het niet. Ik vermoed dat hij op dit moment in twee volstrekt verschillende richtingen wordt geduwd, elk met een heel andere agenda. Op de dag na die zenuwslopende verkiezingen, toen de omvang van de Republikeinse overwinning duidelijk werd (niet alleen voor het Witte Huis, maar ook in de Senaat en het Huis van Afgevaardigden), eisten de aartsconservatieven van christelijk rechts al de integrale uitvoering van hun programma. Zo hield de Wall Street Journal zijn lezers voor dat de tweede termijn van Bush `revolutionairder' zou zijn, omdat hij nu een duidelijk mandaat had om naar rechts op te schuiven.

Aan het binnenlandse front zou deze conservatieve verschuiving zich heel wel kunnen voordoen: benoemingen in het Hooggerechtshof, abortuswetgeving, belastingverlagingen in het voordeel van de rijken en een milieuonvriendelijke greep uit de oliereserves van Alaska. De ontgoochelde Democraten kunnen nauwelijks tussenbeide komen.

Maar dat wil nog niet zeggen dat we moeten rekenen op een verheviging van het arrogante buitenlandse en militaire beleid à la Rumsfeld van de laatste paar jaren. Integendeel: nu president Bush zijn verkiezingsoverwinning heeft veiliggesteld, zal hij ons wellicht verrassen door de internationale gemeenschap olijftakken voor te houden, en wel om een aantal belangrijke redenen.

De eerste is dat politici tijdens hun tweede ambtstermijn veel aan hun toekomstige plaats in geschiedenis denken en daarnaar handelen. Bush wil bekendstaan als wereldleider in de trant van Roosevelt en Kennedy, niet als iemand die het westerse bondgenootschap heeft verstierd.

De tweede reden is dat hij persoonlijk kwaad is over de verkeerde voorstelling van zaken die hij heeft gekregen omtrent het gemak waarmee het Iraakse volk zou zijn te bekeren tot een pro-Amerikaanse bondgenoot die het Midden-Oosten zou veranderen. De president ergert zich daar wild aan, temeer naarmate het aantal slachtoffers oploopt.

De derde reden is dat Bush op dit moment meer dan ooit internationale steun nodig heeft. Zonder de Verenigde Naties en de grote landen in de VN-Veiligheidsraad kan hij geen oplossing vinden voor de chaos in Irak (en – ondanks de verkiezingen van kort geleden – voor de wetteloosheid in grote delen van Afghanistan). Ook heeft hij de hulp van de NAVO nodig, van de Balkan tot Centraal-Azië.

Hij zal er niet aan kunnen ontkomen om behalve in woord ook in daad te reageren op de volkenmoord in West-Soedan (daar zal zijn christenfundamentalistische en joodse aanhang hem wel aan herinneren). Hij kan niet uit onder de Amerikaanse betrokkenheid bij de rampzalige verhouding tussen Israëliërs en Palestijnen, maar hij wil niet in zijn eentje handelen. Ten slotte heeft hij de hulp van de internationale gemeenschap nodig in de oorlog tegen het terrorisme.

De vierde reden is dat de Amerikaanse economie – en in het bijzonder wat het enorme handels- en begrotingstekort betreft – onherroepelijk de steun nodig heeft van buitenlandse ministeries van Financiën en buitenlandse kopers van Amerikaanse obligaties. Ik ken geen econoom of bankier die zich niet ernstig ongerust maakt (sommigen zijn echt doodsbang) over het tempo waarmee de VS zich in de internationale schulden storten, vergeleken met amper vijf, zes jaar geleden.

Op de dag na de verkiezing (3 november; werd dit punt met opzet uitgesteld?) maakte het Amerikaanse ministerie van Financiën bekend dat de overheid in de eerste drie maanden van 2005 147 miljard dollar zal moeten lenen – een nieuw kwartaalrecord, dat echter vermoedelijk al gauw weer zal worden overtroffen. Je hoeft geen genie te zijn om te beseffen dat de Amerikaanse afhankelijkheid van Chinese en Japanse aankopen om deze tekorten te dekken in de nabije toekomst angstaanjagende vormen zal aannemen. Wat voor zin heeft het om met succes jacht te maken op militante Afghanen als de Amerikaanse dollar naar beneden keldert?

Samenvattend: als George W. Bush niet ,,de Philips II van de 21ste eeuw' wil gaan heten – naar de Spaanse koning die 400 jaar geleden het rijkste imperium ter wereld aan de rand van het faillissement bracht – zal hij hulp moeten zoeken.

Tot slot is er nog het aanlokkelijke idee dat hij de tweede Bismarck wordt, niet de oorlogshitser, niet de verwoestende kracht, maar de stabilisator, de man die de internationale diplomatie nieuw leven inblaast. Als president in een tweede ambtstermijn zou Bush hoop en bemoediging kunnen bieden bij onze gezamenlijke inspanningen om de ernstige wereldproblemen aan te pakken.

Menig lezer vindt dit misschien een vergezocht idee en zelf heb ik er ook niet zoveel hoop op. Maar als George Bush geschiedenisboeken leest, moeten we allemaal opletten.

Paul Kennedy is als hoogleraar geschiedenis verbonden aan de afdeling International Security Studies van de Yale-universiteit. Zijn bekendste boeken zijn The Rise And Fall Of The Great Powers en Preparing For The Twenty-First Century.