Zelfs over successen wil AIVD niet praten

De AIVD heeft een te gesloten cultuur en werkt moeizaam samen met lokale politie en bestuurders. Internationaal staat de dienst echter hoog aangeschreven, zegt de commissie-Havermans.

Toen de Amsterdamse burgemeester Job Cohen na de moord op Theo van Gogh de gebrekkige informatievoorziening door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) aan de orde stelde, wist hij dat hij niet alleen stond in zijn kritiek. De concepttekst van het rapport `De AIVD in verandering' van de commissie-Havermans, waar Cohen ook deel van uitmaakte, was toen al gereed. En in dat rapport, dat gisteren officieel werd gepresenteerd, wordt uitgebreid aandacht gegeven aan de wijze waarop de AIVD de burgemeesters van de vier grote steden informeert.

De burgemeesters beklaagden zich tegenover de commissie over de gesloten cultuur binnen de AIVD. Ze hebben twijfels over analyses die de dienst verstrekt en vinden dat de dienst de informatie die hij aangeleverd krijgt, nauwelijks terugkoppelt. ,,Dat leidt ertoe dat de informatievoorziening van het lokale bestuur naar de AIVD opdroogt'', aldus Havermans, die zich verbaasde over de beperkte omgang tussen de burgemeesters en de landelijke inlichtingendienst.

Dat is niet het enige probleem. Ook de manier waarop de Regionale Inlichtingendiensten (RID's) met vertrouwelijke informatie omgaan, draagt volgens Havermans niet bij aan adequate informatievoorziening in de regio. De RID's zijn de vooruitgeschoven posten van de AIVD bij de politiekorpsen. Als zij informatie hebben over mogelijke verstoringen van de openbare orde, mag die worden doorgespeeld naar de burgemeester of de korpschef. Maar als het gaat om vertrouwelijke AIVD-informatie moet een omslachtige weg worden bewandeld voordat die terecht komt bij de burgemeester. De AIVD kan de korpschef informeren, maar alleen als het gaat om `niet-persoonsgebonden informatie'.

De RID mag collega-rechercheurs binnen het eigen korps niet informeren. Alleen als de AIVD vindt dat verkregen informatie verstrekt moet worden in het kader van een opsporingsonderzoek, kan de dienst een ambtsbericht versturen naar de korpschef. Formeel mag de recherche vervolgens de RID niet laten weten dat ze over die informatie beschikt. Uit het overzicht van verstuurde ambtsberichten tot medio dit jaar blijkt overigens dat Amsterdam geen ambtsbericht van de AIVD ontvangen heeft, hoewel de naam van Mohammed B. wel meerdere keren voorkwam in onderzoeksdossiers van de dienst.

De commissie-Havermans nam ook de relaties van de AIVD met de buitenlandse diensten op de korrel. Het gebrek aan internationale samenwerking tussen inlichtingen- en veiligheidsdiensten wordt sinds de aanslagen van 11 september 2001 wereldwijd gezien als een van de grootste struikelblokken in de strijd tegen het internationale terrorisme. Veiligheidsdiensten houden vast aan de nationale grenzen, terwijl de terroristische netwerken worden gekenmerkt door het feit dat zij niet meer aan één, twee of zelfs tien landen zijn te koppelen.

Helemaal verwonderlijk is het niet dat juist de veiligheidsdiensten moeite hebben met samenwerken: niets is zo heilig voor een land als de nationale veiligheid. Niet voor niets, constateert ook de commissie-Havermans, is de nationale veiligheid uitgesloten van bijvoorbeeld Europese verdragen. ,,Inlichtingen- en veiligheidsdiensten hebben in het algemeen een moeizame relatie met de EU'', stelt de commissie. Dat heeft alles te maken met de angst in een te groot samenwerkingsverband bronnen kwijt te raken doordat collega-diensten mogelijk onzorgvuldig met inlichtingen en bronnen omgaan. Maar dat gebrek aan multilaterale samenwerking zet de diensten op achterstand bij de bestrijding van het statenloze terrorisme. Zo heeft alleen al Al-Qaeda voet aan de grond in tientallen landen.

Volgens experts gaat de samenwerking tussen de diensten van twee bevriende landen over het algemeen goed; met drie landen wordt het al lastiger; vruchtbare samenwerking tussen inlichtingendiensten in vier landen wordt vaak als onmogelijk beschouwd. En vrijwel altijd worden inlichtingen `verhandeld' op basis van het principe `voor wat hoort wat', ook als het gaat om inlichtingen die cruciaal kunnen zijn voor de opsporing van terroristische activiteiten.

De commissie constateert dat de AIVD vooral samenwerkt met diensten uit landen die van oudsher tot de bondgenoten behoren, zoals Duitsland, Groot-Brittannië, Frankrijk en de Verenigde Staten. In het buitenland staat de AIVD volgens de commissie bekend als een ,,professionele en vastberaden inlichtingen- en veiligheidsdienst met een goede staat van dienst''. De reputatie is zelfs zo goed dat de AIVD bij collega-diensten in de ,,topdrie of -vier'' staat van ,,voorkeurspartners voor samenwerking'', aldus Havermans, die zich baseert op ,,enkele gesprekken met de hoofden van enkele veiligheidsdiensten in Europa''.

In eigen land zijn de prestaties van de AIVD nauwelijks bekend. De commissie wijt dat aan de dienst zelf, omdat de AIVD dergelijke informatie nooit prijsgeeft. Zo is niet bekend, aldus Havermans, ,,dat de AIVD verschillende toonaangevende (geheime) successen heeft gerealiseerd''. Daarmee wordt onder meer gedoeld op de verijdeling van een aanslag op de Amerikaanse ambassade in Parijs, kort na 11 september 2001, waarvoor de toenmalige BVD medeverantwoordelijk was. Daarnaast zijn zeker nog drie aanslagen voorkomen, onder meer op het EK voetbal in 2000.

Doordat de dienst dergelijke successen niet bekendmaakt, trekken ,,sommigen'' daaruit ,,ten onrechte'' de conclusie dat de ,,AIVD onvoldoende weet of kan'', stelt Havermans. Het principe van `need to know' prevaleert bij de AIVD nog steeds boven `nice to know'. Wat Havermans betreft mag dat veranderen: ,,De AIVD moet meer laten zien wat hij weet en wat hij kan.'' De commissie constateert dat ,,in het bijzonder bij de Tweede Kamer nog veel onduidelijkheid bestaat over de precieze taken en bevoegdheden van de AIVD''.

Verder concludeert de commissie dat er vooral in Europees verband veel meer werk is gekomen voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, maar dat de commissie zich er op geen enkele manier over uitlaat of dít resultaten heeft opgeleverd. Het tegendeel lijkt eerder waar: de commissie noemt de ,,internationale bestuurlijke drukte (...) enorm''. Het onderhouden van de relaties met het buitenland was volgens de commissie drie jaar geleden nog een bijtaak, terwijl dat nu een ,,dagtaak'' is geworden. Of de AIVD daar veel last van heeft, is niet bekend. Ondanks alle bestuurlijke drukte is er binnen de dienst slechts een ,,beperkt aantal mensen'' bezig met internationaal overleg.