Willem

Niet zonder beduchtheid betrad ik gisteren de plaats waar hij vermoord is, zoals twee diepe kogelgaten bijna pathetisch laten zien. Daar, op die korte trap in Het Prinsenhof te Delft, gebeurde het.

Op dinsdag 10 juli 1584 vroeg Balthasar Gerards, een 27-jarige Fransman, of hij Willem van Oranje te spreken kon krijgen. Na het eten, zei Willem die hem al kende. Willems vrouw Louise de Coligny vond het maar een rare snuiter, maar ze werd gerustgesteld.

Balthasar haalde twee pistolen op en was om half twee terug, toen het gezelschap de eetzaal verliet. Terwijl Willem de trap besteeg, kwam Balthasar achter een pilaar tevoorschijn en schoot Willem van dichtbij in borst en zij. De prins zakte in elkaar en sprak de beroemde woorden: ,,Mon Dieu, aie pitié de mon âme, et de ce pauvre peuple!'' (Knap om zoiets meteen vast te leggen, ik zou van de zenuwen mijn balpen niet hebben kunnen vinden).

Het Prinsenhof heeft een kleine tentoonstelling gewijd aan de moord op Willem van Oranje. Als bezoeker wil je vooral één ding: zo snel mogelijk naar `de moordhal'. Toch had ik mijn aarzelingen, want telkens vreesde ik dat de geest van de Vader des Vaderlands uit een nis zou treden om mij toe te bijten: ,,Tweede! En toch eerste! Eerste! En toch tweede! Wat is dit voor landje geworden!''

,,Iedereen is van de kook'', zou ik hem sussen.

,,En ik begrijp dat er weer concurrentie bij is gekomen? Een nieuwe held van het vrije woord?''

,,Daarover verschillen de columnisten nog van mening.''

,,Columnisten'', zou hij met diepe afkeer zeggen, ,,die hadden we in mijn tijd goddank nog niet.''

Hoe waren de omstandigheden precies op `de plaats delict'? Dat is na zoveel eeuwen niet meer te achterhalen, vertelde conservator Loet Schledorn me. De twee kogelgaten, onderaan de trap, zitten merkwaardig laag. Vanuit welke hoek moet Gerards wel niet geschoten hebben? `De moordhal' is tweemaal ingrijpend gerestaureerd en mogelijk lag de oorspronkelijke gangvloer lager.

De kogelgaten, inmiddels achter een glasplaatje, zijn diep, vooral het linker. Ooit verkocht de conciërge van het gebouw stukjes puin aan belangstelldenden – slecht voor de muur. Zijn het wel dé kogelgaten, vroeg ik Schledorn zo indringend mogelijk. Hij dacht van wel, maar durfde er geen eed op af te leggen.

Ach, wat doet het er ook toe. Hij was dood, morsdood, de grote man, en de moordenaar was een godsdienstfanaticus – ja, ook toen al. Balthasar was streng katholiek opgevoed, een jezuïet zou hem hebben verzekerd dat hij een martelaar kon worden als hij als gevolg van een aanslag op de calvinistische Willem zou sterven.

In `de moordhal' hangt ook de bekentenis van Balthasar. ,,Vandaag heb ik het pistool waar drie kogels in zaten leeggeschoten tegen de buik van de genoemde prins'', zei hij. ,,Gehinderd door zijn hellebaardiers ben ik niet in staat geweest het tweede schot te lossen, wat me erg spijt en verdriet doet.''

Dat laatste zei hij omdat men hem tijdens het verhoor liet geloven dat Willem nog leefde.