Powell stond garant voor waardigheid

Het ministerschap van Powell is ontsierd door de onvoorziene gevolgen van zijn ene grote succes in de bureaucratie: dat hij de president wist over te halen de VN inzake Irak niet te negeren, betoogt Walter Isaacson.

Eén van Powells grote voorbeelden is George Marshall, een voorganger van hem in het Pentagon en op Buitenlandse Zaken. Powell werkt onder het portret, en aan het bureau, van de wijze legeraanvoerder uit de Tweede Wereldoorlog, die onder Harry Truman minister van Buitenlandse Zaken was.

Soms vertelt Powell van de dag in 1948 toen Truman zich afvroeg of de Verenigde Staten de zojuist uitgeroepen staat Israël moesten erkennen. Marshall ried het hem af, maar Truman besloot het toch te doen. Meer dan eens heeft Powell beschreven hoe enkele adjudanten van Marshall zich rond ,,dit bureau'' schaarden om hem te zeggen dat hij maar één ding kon doen: zijn ontslag nemen. Marshall vroeg hun hoezo híj ineens de president was. Truman was de president, zei Marshall, en die nam de beslissingen. De rol van de minister van Buitenlandse Zaken was zo goed mogelijk advies te geven en vervolgens de president te steunen.

Wanneer Powell in de nasleep van de invasie in Irak die geschiedenis ophaalt, is duidelijk dat hij het niet alleen over Marshall heeft maar ook over zichzelf. Wel moet bedacht worden dat het grote verschil tussen de twee in deze gevallen was dat Powell uiteindelijk met bijna al zijn adviezen over Irak gelijk bleek te hebben, terwijl Marshall het mis had met Israël.

Desondanks – of misschien daarom juist – is het niet waarschijnlijk dat de commentatoren van nu of de historici van morgen Powell evenveel eerbied zullen schenken als Marshall ten deel is gevallen.

Het Witte Huis heeft dat trouwens evenmin gedaan.

Het probleem voor Powell is dat zowel de trouwe aanhangers van de regering-Bush als haar critici in hem teleurgesteld zijn – de eersten omdat hij niet vierkant achter de strategie en de tactiek stond die resulteerden in de bezetting van Irak, de laatsten omdat hij zich niet publiekelijk voor die trein heeft geworpen. Hij geldt als een mislukking, omdat hij de ideeenoorlog tegen vice-president Dick Cheney, minister van Defensie Donald Rumsfeld en hun neoconservatieve entourage heeft verloren.

En toch zou een eervolle plaats in het pantheon van de geschiedenis moeten zijn weggelegd voor staatslieden die, ook al werden zij genegeerd, intellectueel en instinctief gelijk bleken te hebben. Als wij de kwestie laten rusten of hij meer had kunnen doen om zich te laten gelden en de oorlog te verhinderen, kunnen wij in plaats daarvan bedenken welke lessen uit zijn ambtstermijn verdienen te worden opgetekend.

Powell is een man van eer, en wij moeten van hem aannemen dat hij, zoals de meeste Amerikanen van beide partijen, vond dat Saddam Hussein moest worden afgezet, meende dat er bewijzen waren dat de dictator doende was massavernietigingswapens te verwerven, en de inval in Irak steunde. Zo bezien was Powell niet onoprecht en legitimeerde hij evenmin beleid waar hij tegen was.

Wel maande hij tot behoedzaamheid en opperde hij bedenkingen. De doctrine die sinds lang aan zijn naam verbonden is, houdt in dat iedere militaire interventie een welomschreven doel moet hebben, genoeg middelen moet inzetten om dat doel zonder problemen en met succes te kunnen realiseren, en een duidelijk plan moet hebben voor de beëindiging van de operaties.

Powell heeft voorafgaand aan de invasie gepleit voor meer tijd om een bredere coalitie te vormen en voor een grondiger voorbereiding van de veiligheid en de bezetting na afloop van de oorlog.

Op werkelijk al deze punten heeft hij het, in wisselende mate, afgelegd tegen de burgers in het Pentagon. En in bijna alle gevallen is gebleken dat hij verstandiger was en beter vooruit had gedacht. De les die wij inzake Powell moeten onthouden, is niet dat hij niet wist te zegevieren maar dat hij had móéten zegevieren.

Toen Powell zijn ambt aanvaardde, was hij misschien wel de meest gerespecteerde man in Amerika, een heroïsche militair en wijze staatsman met de populariteit van een rockster.

Maar zijn termijn als minister is ontsierd door de onvoorziene gevolgen van zijn ene grote succes in de bureaucratie: dat hij de president wist over te halen de Verenigde Naties te vragen om een resolutie van steun inzake Irak.

Zijn beloning hiervoor was de foto die zijn nalatenschap glans zal ontnemen, de foto waarop hij samen met George Tenet, het hoofd van de CIA, aan de Veiligheidsraad de door de inlichtingendiensten vergaarde aanwijzingen presenteerde dat Irak druk doende was massavernietigingswapens te ontwikkelen. Het was een overtuigend verhaal – alleen niet achteraf.

De grote scheidslijn binnen het establishment van het ministerie van Buitenlandse Zaken loopt sinds lang tussen de idealisten – zoals de neoconservatieven, die hopen dat Amerika kan helpen het Midden-Oosten te democratiseren – en de realisten, die geloven in wat meer omzichtigheid en meer aandacht voor de kille strategische belangen van Amerika.

Een eminente realist, Brent Scowcroft – een mentor van Powell, en de man van het buitengewoon succesvolle buitenlandse beleid van de eerste president Bush – noemde het een strijd tussen transformationalisten en traditionalisten.

Beide benaderingen zijn noodzakelijke componenten van een duurzaam buitenlands beleid. Van de Monroe-doctrine tot aan het Marshallplan is de Amerikaanse diplomatie steeds op haar best geweest wanneer die twee lijnen met elkaar vervlochten waren. In zijn veertig jaren van dienst aan de natie is Powell een toonbeeld van deze twee richtingen geweest, en van het noodzakelijke evenwicht ertussen.

Zijn rol in de regering-Bush was dat hij moest aandringen op een iets grotere dosis realisme in het huidige evenwicht – een beetje meer aandacht en planning en nederigheid bij het voeren van de oorlog in Irak. Het was een waardige rol, een rol die niet mét hem verdwijnen mag.

Walter Isaacson is verbonden aan het Aspen Institute en auteur van onder meer `Kissinger: een biografie'.

© New York Times Syndicate