OM moet alerter zijn

Het is al vaak gezegd: de moord op Theo van Gogh zou een aanval hebben ingehouden op ons recht op vrije meningsuiting. Maar is dat ook zo?

Onze vrijheid van meningsuiting wordt geregeld in art. 7 van onze Grondwet en in art. 10 van het Europese verdrag inzake de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Een nadere beschouwing van beide artikelen maakt duidelijk dat dit recht allesbehalve een absoluut karakter heeft. Het is aan voorwaarden gebonden. In lid 2 van art.10 van het EVRM staat hierover het volgende: ,,Daar de uitoefening van dit recht op vrije meningsuiting plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden (...) de bescherming van de goede naam of rechten van anderen,'' enz.

De Nederlandse wetgever was korter van stof. Een ieder heeft recht op vrije meningsuiting, behoudens zijn verantwoordelijkheid volgens de wet. Dit komt er op neer dat je mag zeggen wat je wilt, zolang dit maar niet in strijd is met de wet. De ons gegeven grondrechten zijn dus nadrukkelijk voorwaardelijke rechten.

Waren ze destijds maar explicieter geweest. Had art. 7 van de Grondwet maar rechtstreeks verwezen naar het bekende smaadartikel 137 C van ons Wetboek van Strafrecht. Dan had Theo van Gogh het volgende kunnen lezen, was hij wellicht nog in leven geweest en was Nederland de huidige commotie mogelijk bespaard gebleven. Art. 137 C, ingekort, luidt: ,,Hij die zich in het openbaar mondeling of schriftelijk of door een afbeelding opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, godsdienst of levensovertuiging, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste 1 jaar.''

In het geval van Theo van Gogh is duidelijk dat hij zich hier schuldig heeft gemaakt aan belediging, en dat een beroep op art. 7 van de Grondwet hier dus niet van toepassing kan zijn. Er kan evenmin twijfel over bestaan dat een aanklacht tegen Theo van Gogh wegens smaad onherroepelijk tot een veroordeling zou hebben moeten leiden.

Nu wordt van verschillende zijden gesteld dat, wanneer moslims zich gekwetst hebben gevoeld door het doen en laten van Theo van Gogh, zij in onze rechtsstaat naar de rechter hadden kunnen stappen. In theorie moge dit waar zijn, maar in de praktijk ligt dit anders. Voor allochtone minderheden is de gang naar de rechter vanwege culturele, psychologische en taalkundige barrières aanmerkelijk moeilijker dan voor `ons' Nederlanders. In die zin mag men zeker van een verschil in rechtsgelijkheid spreken.

Anders ligt de situatie hier voor het openbaar ministerie. Dat had zich bewust moeten zijn van de gevoeligheid van deze materie en had moeten ingrijpen. Het OM had een proces wegens smaad moeten aanspannen tegen Theo van Gogh. Of een dergelijke ingreep succesvol was geweest, is niet belangrijk. Waar het om gaat, is dat het OM het islamitische deel van onze natie het gevoel zou hebben gegeven dat ook zij deel uitmaakt van onze rechtsstaat en op rechtsbescherming mag rekenen, en dat het dus in Nederland niet nodig is om voor eigen rechter te spelen. Dat is allemaal niet gebeurd.

Door dit soort nalatigheden heeft het OM een voedingsbodem voor eigen richting laten ontstaan en heeft het daardoor indirect bijgedragen aan wat daarna heeft plaatsgevonden.

In een meer zorgvuldige evaluatie van wat zich allemaal heeft voorgedaan rond Theo van Gogh, zullen bovengenoemde feiten mede betrokken moeten worden. Nederland kan niet toestaan dat wie dan ook op religieuze gronden het recht in eigen handen neemt. Maar Nederland kan ook niet toelaten dat hele bevolkingsgroepen vanwege hun religieuze overtuiging schaamteloos worden beledigd, om niet te zeggen vernederd. Daarover laat het EVRM geen misverstanden bestaan.

Wij zullen daarom ook moeten aangeven dat wij de nodeloos kwetsende uitingen van Theo van Gogh niet op zijn plaats vinden en daarom betreuren. Daar maak je je misschien niet populair mee, maar onze rechtsstaat wordt er wel mee gediend.

Prof.dr. W. Buikhuisen is emeritus- hoogleraar criminologie in Leiden.