Nederland staat helemaal niet in brand

In de verslaggeving na de moord op Theo van Gogh is één ding duidelijk: de grens tussen feit en fictie vervaagt, meent Bastiaan Bommeljé.

Piet Hagen, die eens in de veertien dagen kritisch terugblikt op de berichtgeving in NRC Handelsblad, bleek nogal te spreken over hoe de Nederlandse media verslag hadden gedaan van de moord op Theo van Gogh en de nasleep daarvan. Hij schreef onder meer: ,,De meeste media waren zich bewust van het gevaar van wij-zij denken en interviewden opvallend veel Nederlandse moslims, veel meer dan vroeger gebruikelijk was. NRC Handelsblad was op dat punt zeer alert.'' (Opiniepagina, 12 november)

Echter, in breder perspectief valt wel wat af te dingen op dat gunstige oordeel. Stel dat een historicus over een jaar of tien – als historici dan nog bestaan – de geschiedenis wil schrijven van Nederland in de twee weken na de moord op Theo van Gogh op 2 november jongstleden. Stel dat hij bij de Nederlandse media te rade gaat voor zijn bronnenmateriaal, dan zou hij onder meer de volgende krantenkoppen tegenkomen die hij als informatie moet gebruiken:

`Afgeslacht' (De Telegraaf); `Er is een Amsterdammer vermoord' (Trouw); `Doe het niet, doe het niet' riep hij nog' (NRC Handelsblad); `Genade, genade' (Algemeen Dagblad); `Moord begin heilige oorlog in Nederland' (de Volkskrant); `Tot hier en niet verder'(Spits).

Bovendien zou hij op de grootste Nederlandse internet-nieuwssite kunnen lezen: ,,Naar verluidt zijn tot de tanden toe bewapende Noord-Afrikanen verschanst in huis vol explosieven'' (Nu.nl). En misschien zou zijn geschiedbeeld ook verrijkt worden door de mededeling van het NOS Journaal: `Nederland staat in brand.'

Zij aan zij met deze als feitelijk bedoelde informatie kwam onmiddellijk na de gebeurtenis ook de journalistieke duiding op gang. Naast melk en snijbloemen produceert Nederland immers nog een artikel in overstelpend grote hoeveelheden: meningen. Geen wonder misschien – de fabricatie van opinies, commentaren en stichtelijke overwegingen is een bedrijfstak die ons als kooplui en dominees van nature nu eenmaal na aan het hart ligt. En dat was te merken aan de talloze praatprogramma's en de oeverloze opiniestukken in de kranten. Een vrij nieuw verschijnsel is echter dat veel kranten weinig moeite meer doen deze duiding te scheiden van hun verslaggeving. Voornoemde historicus zal althans over tien jaar onder meer deze krantenkoppen op de nieuwspagina's aantreffen:

`Dit wil geen zinnig mens' (Trouw); `Angst overheerst' (Algemeen Dagblad); `Langs het ravijn van chaos en haat' (de Volkskrant); `Haat in Nederland neemt toe' (NRC Handelsblad).

Deze bloemlezing uit de landelijke kranten is slechts een fractie van alle persstemmen die hebben geklonken. Uit zijn ooghoeken zou de toekomstige historicus – vooral in regionale bladen – nog veel meer niet-gecheckte feiten en geruchten als informatie, en lachwekkend psychosociaal gebabbel als opinie voorbij kunnen zien komen. Bovendien zou ik hem nu reeds aanbevelen televisie en radio links te laten liggen als historische bronnen uit zelfbescherming tegen de journalistieke Verelendung aldaar.

De beperkte bloemlezing maakt misschien wel aannemelijk dat de moord op Theo van Gogh duidelijk heeft gemaakt dat de Nederlandse samenleving `voorgoed is veranderd'. De afstand tussen de `kwaliteitspers' en de `populaire pers' is nooit eerder zo gering geweest. Niemand kan nog serieus beweren dat de media in Nederland `linkse' bolwerken van `de intelligentsia' zijn. Integendeel: het zijn steeds meer speerpunten van de algehele maatschappelijke concurrentie in holle clichés, radicale middelmatigheid, schaamteloze behaagzucht en debiliserende sensatiedrift.

Hiervoor zijn misschien veel oorzaken aan te geven. De vaak gekritiseerde opleidingen voor journalisten zijn zo'n oorzaak. Een andere oorzaak is de door financiële nood gedreven uitholling van de rol der eindredacties en `fact checkers'. Wat dit laatste betreft biedt het buitenland voorbeelden van hoe zoiets kan werken. In het Duitse weekblad Der Spiegel (oplage: 1.050.000) dient elk stuk voor publicatie voorzien te worden van een paraaf door de afdeling Documentatie. Deze afdeling telt ongeveer 80 onderzoekers die de artikelen controleren op de onderbouwing en juridische houdbaarheid van beweringen, op de vermelde feiten en op de opgevoerde bronnen. Gemiddeld is een documentalist bij dit tijdschrift twee tot vijf uur bezig met het onderzoeken van een artikel. Op de redactie van Der Spiegel is de verhouding tussen onderzoekers en verslaggevers één op vijf.

Bij het Amerikaanse tijdschrift The New Yorker lopen bijna twintig fulltime `fact checkers' rond. Toen Arendo Joustra, hoofdredacteur van Elsevier, in 2002 inzake de moord op Pim Fortuyn werd geïnterviewd door The New Yorker, duurde het interview met de journalist anderhalf uur. Daarna volgde nog een gesprek van twee uur met de fact checkers van het blad. Dit is geen panacee tegen journalistieke ongelukken, maar allicht wel tegen het soort krantenkoppen die de afgelopen weken Nederland in werden geslingerd.

Wellicht is een belangrijke oorzaak van de hoge toon der Nederlandse media ook dat moderne journalisten kennelijk doordesemd zijn van een zonderling esthetiserend wereldbeeld, waarin gebeurtenissen slechts begrepen kunnen worden in de taal van fictie en entertainment. `Langs het ravijn van chaos en haat' klinkt heel erg als een poging tot literatuur (of christelijke wijsbegeerte – wat erger is weet ik niet). En `Tot de tanden toe bewapende Noord-Afrikanen verschanst in huis vol explosieven' is een typische platitude uit een middelmatige Hollywoodfilm. Een scriptschrijver daar zou zich al schamen voor zo'n beeld, laat staan een journalist in Nederland.

Media hebben macht, en dat schept verantwoordelijkheid. In het geval van de media ligt die verantwoordelijkheid bovenal op het gebied van betrouwbaarheid, integriteit, kwaliteitsbewaking en zeker ook op het gebied van koelheid in een opgewonden wereld. Piet Hagen moge daarover tevreden zijn, maar deze modale lezer meent dat in de breedte de berichtgeving en opinievorming in de maand november 2004 hebben laten zien dat het met deze zaken in Nederland tamelijk teleurstellend is gesteld.

Bastiaan Bommeljé is historicus, uitgever en redacteur van Hollands Maandblad.