Het pittige gezicht van een hardere politiek

Condoleezza Rice pinkte een traantje weg toen president Bush haar gistermiddag officieel aanwees als nieuwe minister van Buitenlandse Zaken. Hij memoreerde hoe trots haar ouders, beiden niet meer in leven, zouden zijn. En zelf leek de president ook niet helemaal emotievrij: hij laat zijn dierbaarste raadgever los in de jungle van de internationale diplomatie.

De verwijzing naar John en Angelena Rice was gevoelvol én handig. Het echtpaar Rice noemde hun dochter `met zoetheid', con dolcezza in muziek-Italiaans. Als zij beroepspianiste was geworden in plaats van ,,Amerika's gezicht naar de wereld'', zoals Bush zei, zou Condoleezza haar naam nog dagelijks eer kunnen aandoen. De komende jaren is dat zeer de vraag.

Alle tekenen wijzen er op dat Rice in haar nieuwe rol zo niet het aardige dan toch het meest acceptabele gezicht wordt van een buitenlandse politiek die de ongeëvenaarde macht van de VS op een ongeëvenaard duidelijke wijze zal uitdragen. President Bush rekent af met interne twijfel en tegenwerking, zowel op het State Department als binnen de CIA. De bondgenoten kunnen op een zelfde mate van helderheid rekenen.

De nieuwe boodschapper van die duidelijkheid werd zondag vijftig. De Britse ambassadeur gaf een intieme `surprise party'. Iedereen die er in Washington echt toe doet was er. Het is een veilige aanname dat ook in dat gezelschap van al die verzamelde macht Condoleezza Rice's jeugd in het gesegregeerde Alabama nooit ver uit haar gedachten was. De lange mars naar een rechtvaardiger wereld voedt de wereldvisie die zij deelt met de president, ook al was zijn jeugd volstrekt anders dan de hare: vrijheid als Gods gift aan de mens.

Het enige kind uit het domineesgezin Rice bleke al vroeg een waar wonderkind. Zij blonk uit op de kunstschaats en de piano, kwam op haar 16de van school en studeerde in Denver internationale betrekkingen bij Joseph Korbel, de vader van Madeleine Albright, Clintons minister van Buitenlandse Zaken. Rice promoveerde op haar 26ste op de politieke sturing van de Tsjechische strijdkrachten en werd onmiddellijk aangetrokken door de faculteit politieke wetenschappen van Stanford, waar zij op haar 38ste provost werd, de een na hoogste manager van de universiteit.

De benoeming tot minister van Buitenlandse Zaken van Rice, een zwart succesverhaal, is ook een knappe politieke manoeuvre van een Republikeinse president die meer niet-blanke stemmen moet winnen. Met twee opeenvolgende zwarte ministers van Buitenlandse Zaken, een minister van Justitie van Latijns-Amerikaanse afkomst (Gonzales) en wellicht een eerste zwarte president van het Supreme Court (Thomas) zou Bush een voorbeeld geven waar geen Democraat aan toe is gekomen.

Rice was zelf Democraat voordat zij in 1979 Republikein werd. De jonge Sovjet-deskundige was destijds verbijsterd over wat zij zag als de 'sentimentele, naïeve' buitenlands politieke instincten van president Carter, de laatste Democratische president vóór Bill Clinton. De Democraat had zich geschokt getoond de Sovjet-invasie van Afghanistan. Wie de geschiedenis een beetje kende, kon niet verrast zijn, meende Rice.

Het tekent de `realistische' school in buitenlands beleid, waar Rice en haar mentoren George Schultz en Brent Scrowcroft toe behoren. Een conservatieve ideoloog is zij nooit geworden. Toch werd zij een spin in het web van een regering die eerder een assertieve, neoconservatieve dan een realistische lijn in de wereld heeft gevolgd.

Nu zij de overgang maakt van het Witte Huis, waar zij vier jaar de Nationale Veiligheidsraad leidde, naar het State Department, de weerbarstige buitendienst van de Bush-revolutie, zeggen veel Amerikaanse waarnemers dat zij als intellectueel analist begaafder is dan als manager. Dat gold niet alleen binnen haar eigen afdeling.

Zij schitterde, volgens die critici, vooral door afwezigheid wanneer bemiddeling gewenst was in de permanente conflicten tussen de ministers Rumsfeld (Defensie) en Powell (Buitenlandse Zaken). Dat zij desondanks slaagde en wordt gepromoveerd kan maar op één ding duiden: de president waardeert Rice omdát zij niet aandrong op compromissen tussen een geharnaste buitenlandse politiek en de pogingen van Powell om de bondgenoten te raadplegen.

Rice behoorde niet tot de ondertekenaars van de belangrijkste neoconservatieve documenten, maar zij legde het drijvende drietal Rumsfeld-Wolfowitz-Cheney nauwelijks een strobreed in de weg: de vormgeving van de `oorlog tegen Irak' als onderdeel van `de oorlog tegen het terrorisme' was hun werk, het centrale neoconservatieve project van de eerste regeerperiode-Bush. Kennelijk omdat de president het zo wilde.

Het is daarom nauwelijks te verwachten dat Condoleezza Rice de rol van Colin Powell als multilateralistische tegenhanger van de haviken zal overnemen. Eerder zendt president Bush haar naar State om de laatste verzetshaarden op te ruimen. Onderminister Armitage, die gisteren ook zijn ontslag indiende, zal niet de laatste hoge functionaris zijn die wordt vervangen door een diplomaat die `de lijn' zonder mankeren volgt. Loyaliteit aan de president is nu alles.

Bij de CIA zijn de afgelopen dagen al drie top-functionarissen weggewerkt. Zij krijgen de schuld voor de verkeerde inlichtingen die Bush kreeg in de aanloop naar de oorlog in Irak. Niet de inlichtingen-afdeling van het Pentagon, die direct door Chalabi werd gevoed met `feiten' over massavernietigingswapens. De zuivering is in volle gang.