Sta even niet op de bres voor het vrije woord

In een tolerant land moet men respect opbrengen voor wat de onbegrijpelijke andere werkelijk raakt, meent Ybo Buruma.

De moord op Theo van Gogh lijkt ons land te verdelen in twee kampen. Voor een groep mensen is Van Gogh een martelaar van het vrije woord, bij een andere groep bespeur ik een klammheimliche Freude. Die term dateert uit de jaren zeventig toen ene `Mescalero' bekende het eigenlijk niet erg te vinden dat de terroristen van de Rote Armee Fraktion een grootkapitalist hadden doodgeschoten. Toch zullen de beschaafde aanhangers van elk van beide kampen geneigd zijn te protesteren. Uit het ene kamp horen we: ,,Nou ja, martelaar''. En uit het andere: ,,Nee hoor, het had nooit mogen gebeuren''.

Wat de meningen ook zijn, het is verkeerd als de moord door een godsdienst-waanzinnige gebruikt wordt om in naam van het vrije woord onaangenaamheden te spuien over moslims. Timothy McVeigh, de Oklahoma bomber, was een christen-fundamentalist, net als Mike Bray die abortusklinieken bombardeerde. Aum Shinrikyo verspreidde in 1995 sarin gas in de metro van Tokio uit boeddhistische overtuiging en het verschijnsel zelfmoordaanslag is bedacht door hindoestaanse Tamils. Natuurlijk lijkt het erop dat de moord op Van Gogh aan het brein van het moslim-militant ontsproten is. Maar als we een verdergaande betekenis willen toekennen aan deze moord, kunnen we deze beter zoeken in wat de dader kenmerkt dan in het gedachtegoed dat zijn slachtoffer voorstond. Harde woorden over dader Mohammed B. mogen zeker vallen; maar slachtoffers moeten in een seculiere staat niet opgewaardeerd worden tot martelaren.

Het is eveneens verkeerd om nu kritiek te uiten op de wijze waarop Van Gogh zijn opvattingen kenbaar maakte. De man is slachtoffer van een moord. Dan is het ongepast om via een omweg haast te doen alsof hij het aan zichzelf te wijten heeft. We moeten echter niet vergeten dat de gebeurtenissen van de afgelopen twee weken aanleiding geven om een tweede tegenstelling te onderkennen. Daar hebben beide kampen het gelijk aan hun zijde, maar moet een van beide even wijken. Het is de tegenstelling tussen de verdedigers van het vrije woord en de solidairen met de nieuwe Nederlanders. Even verdedigbaar als de gedachte dat de moord op Van Gogh het einde van het tolerante Nederland inluidt, is de gedachte dat de brandstichtingen en aanslagen op moskeeën en scholen dat doen.

Als ik dan nu instem met de stelling van minister Donner dat blasfemie meer moet worden aangepakt, heeft dat meer te maken met die tweede tegenstelling dan met de eerste. Ik begrijp heel goed dat er kampioenen van het vrije woord zijn die fronsen bij die instemming. Als die kampioenen jurist zijn, weten ze echter dat de relevante strafbepalingen slechts een beperkte praktische betekenis hebben. Vloeken wordt er niet strafbaar door! Dat het praktisch belang niet zo groot is, doet aan het symbolische belang echter niet af. Het belang van het woord gaat immers verder dan de vrijheid om te zeggen wat je denkt. Soms gaat het ook om de inhoud van wat er gezegd wordt.

De symbolische betekenis van de opstelling van Donner is gelegen in het feit dat daaruit solidariteit met religieuze minderheden blijkt. Het gaat om mensen die hun identiteit – de zin van hun leven – ontlenen aan de betekenis van hun godsverering. In een tolerant land moet men enig respect opbrengen voor wat de onbegrijpelijke ander werkelijk raakt. Doen we dat niet dan wekken wijzelf de indruk dat onze rechtsorde de hunne niet is. Daarom is het niet juist om de keuze van Donner te plaatsen in diens eigen door het geloof bepaalde traditie. Die traditie heeft hem hooguit sensitiever gemaakt voor iets waar velen in onze seculiere samenleving de antenne voor zijn kwijtgeraakt. Zijn uitdrukkelijke erkenning van het belang van het religieuze kan wellicht als neveneffect hebben dat sommige vrome moslims er aanleiding in kunnen zien om ook de waanzinnigen in eigen kring enigszins in toom te houden, maar daar gaat het me niet eens primair om. In veel commentaren op de opstelling van Donner kwam dit tweede perspectief te weinig naar voren. Met het benadrukken van de vrijheid van meningsuiting is voor deze ene keer het politiek en maatschappelijk samenleven minder gediend dan met het tonen van solidariteit. Morgen zal ik weer op de bres staan voor het vrije woord. Nu even niet.

Ybo Buruma is hoogleraar strafrecht en strafprocesrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen.