Muzikant

Op zondagavond, tegen middernacht, raakte ik verzeild in Maloe Melo, een muziekcafé aan de Lijnbaansgracht in Amsterdam dat zich ook wel `Home of the Blues' noemt. Het is een wat morsig, maar gemoedelijk café met aan de achterkant een zaaltje waar minder bekende artiesten uit binnen- en binnenland kunnen optreden.

Dit was de laatste avond waarop de Amerikaanse zangeres Carolyn Wonderland optrad. Zij was me beschreven als een kruising van Bonnie Raitt en Janis Joplin, wat aardig bleek te kloppen. Een onopvallend uitziende vrouw, zingend en gitaar spelend met een brandende passie. Ze had een heel gezelschap van Texaanse muzikanten bij zich. Er waren zelfs meer muzikanten dan belangstellenden, want het was laat en Amsterdam moest 's morgens weer vroeg op.

De bijeenkomst begon steeds meer te lijken op een jamsessie voor muzikale geestverwanten met het accent op blues en countryrock. Wat me vooral zo frappeerde, was dat ze zich niet lieten demotiveren door het lege zaaltje. Er werd gelachen, gedanst en stevig gedronken en intussen gingen ze volledig in hun muziek op. De buitenwereld was opgehouden te bestaan, ze hadden genoeg aan elkaar en hun spel. Elke keer dat iemand het podium opstapte, leek hij tegen de anderen te willen zeggen: ,,Ik ken een prachtig nummer, luister maar.''

Toch had het schouwspel voor mij ook iets triests. Al dat talent dat vermoedelijk net niet toereikend zou zijn, al die ambities die nooit vervuld zouden worden. Veel van de muzikanten waren al te oud om nog hoop op een grote carrière te kunnen koesteren.

Ik moest denken aan de pianist van Times Square. Ik zag hem een maandje geleden, op de eerste dag dat ik door New York liep. Halverwege Times Square, op een van de drukste punten ter wereld, zat hij in de vitrine van het kantoor van de Bank of America te spelen. Alleen de ruit van de etalage schermde hem af van de kolkende buitenwereld. Tegen een wand stond een bord met de mededeling dat zijn zwarte vleugel geleverd was door `Beethoven Pianos' uit New York.

Ik ging naar binnen om te luisteren. De pianist speelde op dat moment On the sunny side of the street. Het kleine podium waarop hij zat, was met een trapje van de hal gescheiden. Daar begonnen de activiteiten van de bank: een balie, geloop van medewerkers.

Ik ging naast een jonge man op een bankje zitten, dat met de rug naar de pianist stond. De pianist was een oudere man met levervlekken op zijn handen. Hij droeg een donker pak met zwarte brogues eronder. Hoewel wij de enige luisteraars waren, speelde hij vlekkeloos en geconcentreerd door. Blues, rock, populaire deuntjes. Het was routine, maar bezielde routine.

Een medewerkster van de bank stapte op de man naast mij af en zei: ,,U staat nog steeds op de rekening van uw moeder.''

,,Ja'', zei de man, ,,maar ik wil nu een zelfstandige rekening.''

Ze vroeg hem om mee te komen en samen liepen ze weg. Het liep tegen vier uur, de pianist besloot af te sluiten. Hij daalde het trapje af, zonder om zich heen te kijken en liep naar een kantoortje achterin de hal. ,,Het zit er weer op voor vandaag'', riep hij naar binnen en slenterde weg.