Is er nog hoop voor mijn continent?

Corruptie, drugshandel, permanente armoede en moedeloosheid. Afgezien van een land als Chili, gaat het ronduit slecht met de breekbare democratieën van Latijns Amerika.

Mario Vargas Llosa betwijfelt of hier spoedig verandering in zal komen.

Er is maar één opzicht waarin Latijns Amerika er nu duidelijk beter voor staat dan vijfentwintig jaar geleden: er zijn minder dictaturen, de burgeroorlogen zijn voorbij (behalve in Colombia) en coëxistentie – dikwijls gespannen en precair – is in de plaats gekomen van de bloedbaden van vroeger. Maar behalve in Chili is in geen enkel Latijns-Amerikaans land vooruitgang waarneembaar – niet in macro-economische zin en ook de armoede waarin de meeste mensen verkeren is niet verminderd. Evenmin zijn de mogelijkheden toegenomen voor de Latijns-Amerikanen uit de onderste lagen van bevolking om zich te bevrijden uit het dwangbuis dat hen gevangen houdt in hun onderontwikkelde staat.

Het is waar dat er in het grootste deel van Latijns Amerika – afgezien van de eindeloze dictatuur van Fidel Castro op Cuba en de sterk afgetakelde democratie van Hugo Chávez in Venezuela – tegenwoordig verkiezingen worden gehouden, dat er min of meer representatieve parlementen zijn, dat de persvrijheid wordt gerespecteerd en dat je kunt spreken van een rechtsstaat. Maar het is een feit dat de maatschappelijke grondslag voor deze onmisbare instellingen wegkwijnt en zwakker wordt, dat de aanwijzingen steeds sterker worden dat men zich ervan afkeert, hetgeen – zoals in Bolivia, waar de massa president Sánchez de Losada heeft afgezet – ieder ogenblik kan omslaan in vijandigheid jegens een systeem dat steeds meer mensen ongeschikt achten om te voldoen aan de dringende roep van de bevolking om werk, veiligheid, onderwijs, gezondheid en mogelijkheden om vooruit te komen. Deze afkeuring van de democratie is betreurenswaardig maar komt niet uit de lucht vallen, want op al deze punten staan alle Latijns-Amerikaanse landen, behalve Chili, er nu slechter voor dan een kwart eeuw geleden, hoewel de gemanipuleerde statistieken van regeringen en internationale organisaties soms anders beweren.

Het is natuurlijk niet de schuld van de democratie dat onbekwame, corrupte, demagogische of laffe regeringen geen gebruik maken van de immense mogelijkheden die de huidige wereld landen biedt om zich te ontwikkelen – mogelijkheden die een handvol Aziatische landen, zoals Taiwan, Zuid-Korea, Singapore en India, hebben aangegrepen. Die landen hebben in de afgelopen halve eeuw geweldige vooruitgang geboekt met de modernisering van hun economieën en hun integratie in de wereld, en hebben miljoenen banen gecreëerd, op grote schaal investeringen aangetrokken en een snelle groei van de middenklasse mogelijk gemaakt, wat de fundamentele factor is in de stabilisatie en het functioneren van ieder bestel. Maar anders dan in Azië is in Latijns Amerika de vestiging van democratische regimes niet gepaard gegaan met de ingrijpende hervorming van de staat die nodig is om deze te zuiveren van wat – nu de oorlogen en het terrorisme voorbij zijn – de voornaamste oorzaak is waardoor de democratie niet werkt: de corruptie.

Deze strekt zich uit van het ene einde van het continent tot aan het andere als een stinkende brij die ieder streven naar modernisering verlamt, besmeurt en verstikt en is een belangrijke oorzaak van de moedeloosheid en frustratie die jaar in jaar uit duizenden Latijns-Amerikanen de wijk doet nemen naar de Verenigde Staten, Europa, Azië of Oceanië.

Een van de ernstigste gevolgen van de corruptie is dat zij maatregelen als de privatisering van de publieke sector heeft aangetast, die vereist zijn om een land op de been te helpen, en die nu overal bij het publiek op groeiende weerstand stuiten. En geen wonder, want in landen als Argentinië onder Carlos Menem en Peru onder dictator Fujimori vonden privatiseringen – in plaats van markten te ontsluiten, de concurrentie te bevorderen, prijzen omlaag te brengen en de dienstverlening te verbeteren – uitsluitend plaats om bepaalde groepen particulieren te bevoordelen en om diefstal op grote schaal, waarbij honderden miljoenen dollars naar belastingparadijzen werden weggesluisd, te verhullen. In heel het werelddeel hebben deze plunderingen van de openbare middelen de idee van privatisering in een kwade reuk gebracht, wat voedsel geeft aan een herlevend populisme dat vele Latijns-Amerikaanse regeringen er nu toe brengt iedere gedachte aan privatisering van bepaalde publieke instellingen te verwerpen – instellingen die vrijwel zonder uitzondering monsterachtig groot, inefficiënt en onfris zijn, en dientengevolge een zware belemmering voor de groei van een land.

Illegale bedrijfstakken als de drugshandel hebben intussen in een aantal gevallen veel meer dan de overheden geprofiteerd van de mondialisering en van nieuwe technieken om hun operaties te spreiden en zich te verschuilen achter legale façades, waardoor zij in de meeste Latijns-Amerikaanse landen zo flexibel en efficiënt opereren dat zij vrijwel ongestraft blijven. In landen als Colombia en Mexico – en uiteraard niet alleen daar – bieden de productie en de verkoop van drugs levensonderhoud aan zoveel mensen, verzekeren zij het voortbestaan van zoveel fatsoenlijke bedrijven en banen, en verschaffen zij zoveel beoefenaars van vrije beroepen, ambtenaren en politici de kost dat het niet overdreven is om te stellen dat de drugswereld vrijwel samenvalt met de samenleving en dat de idee dat daaraan op afzienbare termijn een einde zou kunnen worden gemaakt, een hersenschim is geworden.

Een land kan zich niet moderniseren of ontwikkelen zolang zijn inwoners in onveiligheid leven en steeds het idee hebben dat zij ieder moment kunnen worden beroofd, ontvoerd of opgelicht, en dat de politie en de rechters hen in de meeste gevallen niet alleen niet kunnen beschermen, maar dikwijls handlangers zijn van de mensen die hen beroven en mishandelen, omdat die criminelen de politie en de rechters kunnen omkopen of intimideren. Dit gevoel van onmacht, van fatalisme vertroebelt de blik op de toekomst, ondermijnt het elan en werkt in de zwakste, meest weerloze sectoren van de maatschappij een soort fundamentele wetteloosheid in de hand. En die toestand is in Latijns Amerika helaas zeer wijdverbreid onder miljoenen mensen die alle deuren naar de toekomst gesloten zien – een situatie waaruit zij zo nu en dan ontsnappen met uitbarstingen van geweld.

Zal hierin in de nabije toekomst verandering komen? Ik hoop dat ik mij vergis, maar optimistisch ben ik niet, hoewel zich hier en daar in Latijns Amerika, bijvoorbeeld in Midden-Amerika, positieve ontwikkelingen voordoen.

Voor het eerst in hun geschiedenis leven de vijf landen van die regio met elkaar in vrede, werken zij samen en groeien hun economieën. Maar zelfs in Midden-Amerika, waar de toestand in vergelijking met het recente verleden merkbaar is verbeterd, groeien de economieën niet snel genoeg om banen en genoeg kansen te creëren om de vreselijke ontwikkeling te verstoren die met uitzondering van Chili het hele werelddeel in haar greep heeft: dat er iedere dag arme mensen bijkomen en dat de verschillen tussen hen die veel bezitten en hen die weinig of niets bezitten, niet kleiner maar groter worden. Om deze ontwikkeling te keren zou Latijns Amerika vele jaren lang moeten groeien in een tempo als dat van China of India, en je moet wel blind of gek zijn om voor de nabije toekomst zo'n radicale verandering te voorspellen.

Te oordelen naar wat er nu gaande is, valt te hopen – en daar moet ook aan gewerkt worden – dat de onvolmaakte, incompetente democratieën die wij hebben niet bezwijken, want zonder hen zou alles nog slechter worden en zou er nog meer corruptie en geweld zijn.

Maar het is lang niet zeker dat zij eindeloos zullen standhouden, tenzij zij van koers veranderen. Het is een onrustbarend vooruitzicht dat het slechte voorbeeld van commandant Chávez – de militaire verrader die in opstand kwam tegen het democratische regime van zijn land en daarna door een verwarde natie werd gekozen – navolging zou kunnen vinden en dat de leiders in uniform uit voorbije tijden de kop weer zouden kunnen opsteken en de sinistere staatsgrepentraditie doen herleven. Een andere mogelijkheid is dat populistische leiders als Evo Morales in Bolivia een volksbeweging op gang brengen die de wankelende democratische regeringen de doodssteek geeft.

Dat zal, áls het gebeurt, niet in alle landen gebeuren, noch overal op dezelfde manier. Waar de zaken er niet al te slecht voorstaan zal de democratie zonder twijfel haar middelmatige, moeizame bestaan rekken, met zo nu en dan een adempauze, in de meeste gevallen niet door eigen verdienste, maar te danken aan externe omstandigheden, zoals een prijsstijging van bepaalde grondstoffen op de internationale markten.

Het enige Latijns-Amerikaanse land dat aan deze cirkel van vuur lijkt te zijn ontkomen is Chili – een geval dat niet vaak wordt genoemd, omdat sommigen menen dat je daarmee de dictatuur van Pinochet zou goedpraten. Dat is absurd. Inderdaad zijn enkele belangrijke economische hervormingen waarbij Chili baat heeft gehad, gerealiseerd toen het land onder de laars van de generaal zat, die, zoals nu ondubbelzinnig is aangetoond, persoonlijk net zo corrupt was als al zijn soortgenoten, de houwdegens van het werelddeel. Maar het staat vast dat de grote opbloei van Chili heeft plaatsgevonden ná en niet vóór de democratisering van het land, en dankzij een duurzame consensus waaraan tot op heden alle politieke krachten deelnemen, een consensus over een liberaal economisch model waar zij allemaal nog steeds achter staan, ondanks de rivaliteit en de meningsverschillen die hen verdelen.

Die consensus heeft dit zuidelijke land de geweldige dynamiek gegeven die het in staat heeft gesteld door te stomen en zich te ontwikkelen in het tempo van de Aziatische landen. Die vooruitgang is alle maatschappelijke sectoren ten goede gekomen en heeft de marginalisering en de ergste armoede teruggedrongen in een mate die in LatijnsAmerika ongekend is. Toch neemt niemand in Latijns Amerika Chili tot voorbeeld, omdat niet één regering over de morele en politieke integriteit beschikt die nodig is om het na te volgen.

De enige die het heeft geprobeerd – die van Uribe in Colombia – ziet haar inspanningen gedwarsboomd door een moeilijke, slopende oorlog, waarin een arme, verzwakte en ondermijnde staat wordt geconfronteerd met guerrillastrijders die worden betaald door de almachtige drugshandel en door de niet minder welvarende bedrijfstakken ontvoering en misdaad. Alles wijst erop dat Latijns Amerika in de komende vijfentwintig jaar het `werelddeel van de toekomst' blijven zal.

Mario Vargas Llosa is schrijver. Dit artikel verscheen eerder in El País.