De huis-gematigde van de regering-Bush

De tragiek van Colin Powells vier jaar als minister van Buitenlandse Zaken van het machtigste land op aarde zat in zijn getuigenis voor de Veiligheidsraad op 5 februari 2003. Toen vertelde de huis-gematigde van de regering-Bush dat harde actie tegen Saddam Hussein onvermijdelijk was.

Hij heeft pas veel later toegegeven dat geen van de argumenten die hij gebruikte ten overstaan van de Veiligheidsraad klopte. Of was zijn zachte bekentenis al af te leiden uit zijn handdruk?

Twee keer konden we met vier Europese correspondenten Colin Powell op het State Department ondervragen: mei 2002, dus ruime vóór die fatale dag in de Veiligheidsraad en vóór `Irak', en eind november 2003, na het officiële einde van de oorlog.

De eerste keer dacht ik: als deze man president van de Verenigde Staten was, zou de wereld alles van hem accepteren. Hij was hartelijk, persoonlijk, hij leek te luisteren en hij legde het beleid van zijn land uit als een dynamisch project voor een betere wereld.

Het was een andere man, die anderhalf jaar later binnenstapte. De handdruk was vriendelijk maar vluchtiger. Was er iets, vroeg ik hem, dat hij in zijn presentatie voor de Veiligheidsraad in februari anders zou hebben willen zeggen? ,,Niets'', was het snelle antwoord.

Powell moest al maanden weten dat er niets over was van de `bewijzen' dat Saddam Hussein massavernietigingswapens bezat. Als de beroepsdiplomaat die de generaal buiten dienst nu was, draaide hij het ivoor iedere keer iets vlakker. Alle stellige verklaringen waren bij iedere optreden iets minder absoluut.

Tot hij toegaf dat er fouten waren gemaakt, die hij betreurde. Maar hij had de best beschikbare bewijzen gebruikt, nadat hij de veiligheidsdiensten het hemd van het lijf had gevraagd. Tegen die tijd was Powells geloofwaardigheid, altijd al gering bij de haviken in de regering-Bush, in het buitenland ook afgenomen.

Alleen bij het Amerikaanse publiek bleef hij als de poolster van de opiniepeilingen aan de hemel staan, meestal hoger dan de president. De zoon van Jamaicaanse immigranten in New York, die met middelmatige cijfers door de school en de militaire opleiding kwam, beheerste als geen ander de regels van het Washingtonse bureaucratische spel.

Hij diende in Vietnam en raakte gewond, klom op in de rangen, diende onder president Reagan kort als Nationale Veiligheidsadviseur om vervolgens chef van de verenigde chefs van staven te worden. In die positie bleef hij nog een klein jaar aan toen Bill Clinton het Witte Huis in 1992 had overgenomen.

Het imago van de loyale soldaat Powell vergeet dat hij toen de president openlijk dwarsboomde in diens streven plaats te maken voor homo's in de krijgsmacht. Ook de bereidheid van Clinton wellicht in te grijpen in het etnische conflict in de Balkan werd door Powell ongebruikelijk publiek tegengewerkt.

Onder George W. Bush vond de inmiddels door zijn memoires en lucratieve spreekbeurten welgesteld geworden oud-generaal zijn meerderen in de hardelijn-politici Cheney en Rumsfeld. De vice-president en de minister van Defensie manoeuvreerden hem voortdurend de berm in. Zijn Powell-doctrine (wees zuinig met democratie-herstellende operaties in vreemde landen en áls je het doet, doe het met grote overmacht) werd in Irak naar de prullenmand verwezen. Rumsfeld wilde bewijzen dat een klein, efficiënt leger de taak aankon. Onder die beslissing zuchten de uitgezonden militairen nog steeds.

Powell heeft in recente vraaggesprekken, waarin zijn aanstaande politieke nalatenschap werd besproken, steeds erop gewezen dat men hem op de langere duur in verband zou brengen met de geslaagde inspanningen om India en Pakistan van oorlog af te houden, het Initiatief tegen proliferatie van massavernietigingswapens en de uitbreiding van het Amerikaanse budget ter bestrijding van aids en andere besmettelijke ziektes.

De minister, die verwacht nog enkele weken in functie te blijven, kreeg gisteravond een compliment uit onverwachte hoek. Richard Perle, ex-lid van de Defensie-adviesraad en vertrouweling van Donald Rumsfeld, merkte op dat Powells ,,noodlot was geweest dat hij aan het hoofd stond van Amerika's diplomatie in een tijd waarin Amerika's grootste problemen (Bin Laden, de Talibaan en Saddam Hussein) niet langs diplomatieke weg konden worden opgekost''.