Wees intolerant tegenover intolerantie

Zolang Hirsi Ali niet vrij kan functioneren als volksvertegenwoordiger, is de vrijheid van meningsuiting in onze democratische rechtsorde in gevaar, vindt Elsbeth Etty.

Twee begrippenparen hoor je in deze vreselijke dagen rondzingen: vrijheid van meningsuiting en doorgeschoten tolerantie. Laat ik eerst iets over het laatste zeggen. Volgens mij houdt iemand die afkeurend spreekt over doorgeschoten tolerantie een pleidooi voor minder tolerantie of zelfs intolerantie. En dat gaat dan uiteraard over minder tolerantie jegens etnische en religieuze minderheden, in het bijzonder moslims, die afwijken van de norm van wat wel de dominante cultuur wordt genoemd.

Maar intolerantie leidt tot de ontbinding van het sociale en politieke leven. Intolerantie betekent haat en wraak. Het betekent de ander niet zien staan, de ander niet het licht in de ogen gunnen, de ander niet de vrijheden gunnen die de tolerante samenleving aan een ieder gelijkelijk te bieden heeft.

Ik sta intolerant tegenover de intolerantie.

Wat ik dan ook niet begrijp, is hoe mensen tegelijk voor intolerantie kunnen pleiten en voor vrijheid van meningsuiting. Naar mijn idee botst dit met elkaar. Hoe kan iemand tegelijk voor minder tolerantie zijn en toch de vrijheid van meningsuiting aanroepen als hoogste goed?

Daar zit geen logica in. Want tolerantie en vrijheid van meningsuiting zijn nauw aan elkaar verwant. Zelfs zo nauw dat ik bijna had gezegd dat het tweelingen zijn. Maar dat klopt niet helemaal. Vrijheid van meningsuiting is een juridisch begrip, tolerantie is een mentaliteit, een levenshouding die deel uitmaakt van de Nederlandse cultuur en beschaving.

Dat vrijheid van meningsuiting ook een juridisch begrip is, betekent dat je het kunt afdwingen. Tolerantie kun je niet afdwingen. Die is dus – we hebben dat de afgelopen week ervaren – de meest kwetsbare van de twee. Vrijheid van meningsuiting is, en dat is het verschil met verdraagzaamheid, een recht. Een grondrecht zelfs. Maar waar de tolerantie verdwijnt, wordt ook de vrijheid van meningsuiting bedreigd.

In Nederland en Europa geldt dat geen enkel grondrecht absoluut is. Grondrechten kunnen met elkaar botsen. Er zal dan een afweging gemaakt moeten worden, in laatste instantie door de rechter. Tegelijk staat vast dat de vrijheid van meningsuiting uitsluitend en alleen door de wetgever mag worden ingeperkt voor zover dat nodig is in een democratische samenleving ter bescherming van, onder meer, de rechten van anderen. Vandaar dat belediging, laster, discriminatie niet worden gedekt door het recht op de vrijheid van meningsuiting. Dat brengt echter niet met zich mee dat alles wat door mensen of groepen als kwetsend wordt ervaren, om die reden niet gezegd of geschreven zou mogen worden.

De afgelopen dagen heb ik nogal wat beschouwingen gelezen over het gebruik dat Theo van Gogh van zijn recht op vrije meningsuiting maakte. Uiteraard veroordeelt ieder zinnig mens de gruwelijke moord. Máár, lees je dan, hij ging over de schreef in zijn uitingen.

Herman Franke, met wie ik het meestal eens ben, schreef in de Volkskrant over Theo van Gogh, met wie ik het meestal oneens was, dat hij een hang had naar platvloers complot denken en een hang naar propagandistisch effectbejag. So what?

Frits Abrahams, met wie ik het vaak eens ben, schreef in NRC Handelsblad over Van Gogh, dat hij zijn hand niet omdraaide voor verdachtmakingen, leugens en karaktermoord.

Maar weet u wat het is? De vrijheid van meningsuiting is nu juist bedoeld om te garanderen dat ook uitingen vrij zijn die anderen tot op het bot pijn kunnen doen, door de ziel snijden, uitingen die schokkend zijn, die aanstoot geven en verontrusting wekken. Zo heeft het Europese Hof voor de rechten van de mens het letterlijk gezegd in een beroemd arrest: het gaat uiteindelijk om het recht to shock, to offend and to disturb – schokken, aanstoot geven, verontrusten.

Piet Grijs, met wie ik het niet zelden eens ben, schreef in Vrij Nederland over de film Submission van Ayaan Hirsi Ali en Theo van Gogh, dat die niet dient om de emancipatie van moslimvrouwen te bevorderen, maar bedoeld is om mohammedaanse medeburgers te pesten. Zelfs als dat zo zou zijn, moeten wij, met het Europese Hof in Straatsburg, zeggen: So what?

Want – Piet Grijs weet dat beter dan wie ook – wat stelt vrijheid van meningsuiting voor als je niet zou mogen pesten? Het recht op vrije meningsuiting zou totaal overbodig zijn als het alleen gold voor brave, niet aanstootgevende, niet schokkende, niet verontrustende uitingen. Dan zou je helemaal geen vrijheid van meningsuiting nodig hebben. Nee, juíst het afwijkende geluid, dat hard en snerpend kan zijn, moet gehoord kunnen worden.

Hoe zit het dan met grieven en beledigen? Dat hangt maar af van de verantwoordelijkheden, posities, bedoelingen, en contexten. Kunstenaars, columnisten en cabaretiers kunnen zich hyperbolen of zelfs scheldpartijen veroorloven, die bijvoorbeeld een ambtenaar tegen een burger niet mag gebruiken.

Ik vind Van Gogh, met wie ik het doorgaans oneens was, ik herhaal het nog maar eens, wel degelijk een held van het vrije woord. Geen held van de goede smaak. Maar dat is, per definitie, een kwestie van smaak.

Wat ik eigenlijk op dit moment het belangrijkste vind. Ik zei: zélfs als Submission alleen maar bedoeld is om moslims te pesten: So what? Tegelijkertijd geloof ik niet dat de film die bedoeling had. De bedoeling van die film is de onderdrukking en mishandeling van moslimvrouwen aan de kaak te stellen.

Ik schreef daarover in augustus, na de uitzending ervan bij Zomergasten, dat ik Submission ingetogen vond en dat het filmpje mij nog te braaf was. Daar is Theo van Gogh toen op zijn bekende manier razend over geworden. Maar ik schreef ook dat veel van de discussie over de vorm van Submission een manier van wegkijken was, wegkijken door mensen die liever niet willen zien wat in sommige moslimkringen aan weerzinwekkends tegen vrouwen en meisjes gebeurt. ,,En'', zo voegde ik daar aan toe, ,,dat verwijt kun je Hirsi Ali en Van Gogh niet maken. Zij trekken tenminste aan de bel. Zij waarschuwen ons – en laat niemand het lichtvaardig nemen – tegen de extremistische minderheid in de islamitische gemeenschap die het aan de kaak stellen van vrouwenmishandeling een belediging van de islam noemt.''

Als het vandaag gaat over de vrijheid van meningsuiting, dan moeten wij vooral denken aan één persoon: Ayaan Hirsi Ali, met wie ik het niet altijd eens ben, maar die aan de orde stelt wat aan de orde gesteld moet worden.

Dat deze moedige volksvertegenwoordiger nu geen bewegingsvrijheid geniet, beperkt wordt in het werk waarvoor zij nota bene democratisch gekozen is: dat is onverdraaglijk. Zolang Ayaan niet vrij kan rondlopen, vrij kan spreken, binnen en buiten het parlement, is de democratische rechtsorde in ons land niet hersteld. Hetzelfde geldt voor de positie van Geert Wilders, met wie ik het nog nooit eens ben geweest.

Zolang deze toestand bestaat, is de vrijheid van meningsuiting, maar ook de parlementaire democratie in gevaar. Zolang Ayaan Hirsi Ali en Geert Wilders moeten onderduiken en permanente bewaking nodig hebben wegens het uiten van hun mening, hebben mensen als de moordenaar van Theo van Gogh het hier voor het zeggen.

Elsbeth Etty is redacteur van NRC Handelsblad. Zij sprak deze column uit op het thema `Vrijheid van meningsuiting', bij de bekendmaking van de Novib/PEN award winnaars op het Crossing Border Festival afgelopen zaterdag in Den Haag.