Vergelijking bijbel en koran slaat nergens op

Niet wat in de (koran)teksten staat is bepalend voor iemands handelen, maar welke betekenis mensen aan die teksten geven in concrete omstandigheden, meent Thijl Sunier.

Sinds de moord op van Gogh verschijnen artikelen en commentaren waarin een poging wordt gedaan Mohammed B.'s drijfveren te verbinden met de islamitische geloofsleer. Zo ook Bernard Hulsman (NRC 11/11) die vaststelt dat in de koran veel meer passages voorkomen die geweld legitimeren dan bijvoorbeeld in het Nieuwe Testament. Hulsman concludeert dat het niet zozeer verbazend is ,,[...] dat islamitische fundamentalisten als Mohammed B. met de koran in de hand aan het moorden zijn geslagen, maar dat de meeste moslims die elke vrijdag in moskeeën stukken uit het heilige islamitische boek krijgen voorgelezen, nog met ongelovige Nederlanders praten.'' Wellicht zal op het artikel gereageerd worden met een nog gedetailleerder vergelijking tussen heilige teksten. Immers, commentaar en interpretatie en in het verlengde daarvan aanwijzingen en implicaties voor praktisch handelen, behoort tot de `core business' van alle openbaringsreligies.

Maar het bestuderen van bronnen brengt ons geen stap dichterbij de vraag wat Mohammed B. heeft bewogen. Ik ga er gemakshalve van uit dat B. zich heeft laten inspireren door teksten uit de koran. Waar het hier echter om gaat is niet wat in de teksten staat, maar welke betekenis mensen daaraan geven in concrete omstandigheden. Wat daarvoor nodig is is geen exegese van de koran, in elk geval niet uitsluitend en zeker niet een van de koude grond zoals die van Hulsman. Dat vraagt om een grondige sociologische analyse van het gebruik van tekst onder concrete omstandigheden. Eén ding is mij duidelijk geworden in de vele jaren dat ik beroepshalve en persoonlijk met moslims heb gesproken: niets is zo divers als de manier waarop individuele moslims betekenis geven aan heilige teksten en wat voor conclusies ze daaruit trekken voor hun handelen. Ten onrechte beschouwt Hulsman de koran als een soort handleiding voor gedrag. Tussen heilige tekst en feitelijk gedrag gebeurt echter een heleboel.

Om te beginnen gaat het natuurlijk niet alleen om de tekst van de koran zelf. Die is weliswaar het belangrijkst, maar alles wat er omheen is geschreven en gezegd is ook belangrijk. Commentaren op heilige teksten en citaten uit de Hadith (uitspraken en handelingen van de Profeet), kunnen een grote rol spelen. Die kunnen variëren van simpele `one-liners' die vaak veel mensen kennen en gebruiken in een gesprek, zoals ,,er is geen dwang in de islam'', tot uitgewerkte commentaren met bespiegelingen over maatschappelijke kwesties. Dat kunnen theologische verhandelingen zijn, maar ook geschriften die theologie verbinden met economische en politieke analyses. Welke keuze uit die teksten wordt gemaakt en hoe die gelezen moeten worden, staat niet op voorhand vast.

Hulsman schetst wat dat betreft een traditioneel en rechtlijnig beeld van kennisoverdracht: dat van de gelovige tijdens de vrijdagpreek. Zeker in deze tijd van globalisering en nieuwe media is een heel ander patroon aan het ontstaan in de relatie tussen tekst en de aard van de kennisoverdracht. Natuurlijk zijn er zogeheten gezaghebbende interpretaties die door een groot aantal moslims onderschreven worden, maar juist die gevestigde interpretaties liggen ook vaak onder vuur. De rol van traditionele schriftgeleerden en imams is onder druk komen te staan en met name jonge moslims gebruiken allerlei nieuwe kanalen om kennis te vergaren. Dat dat niet alleen maar leidt tot radicalisering van denkbeelden moge duidelijk zijn. Maar dan geldt des te meer dat het van belang is te weten wat het Umfelt van betrokkene is.

In het geval van Mohammed B. bestaat nu het vermoeden dat hij behoort tot een groep die zich laat inspireren door een Syrische schriftgeleerde. Er bestaan onder moslims tal van groepjes die echt niet bezig zijn met het voorbereiden van aanslagen. In verreweg de meeste gevallen gaat het om heel gewone praat-, of studiegroepen. Zo bestaan er al jaren vrouwengroepen die discussieren over bijvoorbeeld de positie van vrouwen in de islam. Het gaat dus om de vraag hoe de persoon in kwestie met heilige teksten in aanraking is gekomen. Wat weet hij of zij daarover? Wat voor rol spelen of speelden ze in diens leven? Uit wat voor achtergrond is de persoon afkomstig en met wie gaat hij of zij om? Vaak worden op dit punt te snelle conclusies getrokken.

Dan, en dat is een essentieel punt, rijst de vraag hoe de betrokkene de tekst of interpretaties daarvan verbindt met persoonlijke ervaringen en hoe daar een persoonlijk verhaal van wordt gemaakt. Het gaat erom hoe die ervaringen betekenis aan de heilige tekst geven en omgekeerd. Op zo'n manier kun je met die tekst alle kanten op. Hulsman verbaast zich erover dat niet meer moslims de omgang met niet-moslims afwijzen. Dat staat volgens hem namelijk in de koran. Afgezien van het feit dat de koran helemaal niet eenduidig is over die omgang, is dit precies een redenering die aan de verkeerde kant begint: niet bij de mensen maar bij de tekst. Ervaringen en concrete situaties spelen een heel belangrijke rol bij het `begrijpen', het `uitleggen' van de tekst. Mensen kunnen nu eenmaal gebeurtenissen heel verschillend ervaren en een zeer verschillende plaats in hun leven geven.

Een belangrijk gemeenschappelijk kenmerk van veel islamitische jongeren, in tegenstelling tot hun ouders, is dat hun referentiekader Nederland is geworden. Maar hoe dat uitpakt is natuurlijk voor iedereen verschillend. Ik zou Hulsman willen adviseren de moeite te nemen met moslims over dit soort zaken van gedachten te wisselen en niet alleen zoeken naar mensen die om wat voor reden dan ook de weg van Mohammed B. hebben gekozen, maar vooral ook met moslims die zich hier thuis voelen. Dat zijn er veel, ondanks het verharde klimaat.

Thijl Sunier is senior lector antropologie aan de Universiteit van Amsterdam.