Iran en Europa herhalen zetten in slepende nucleaire affaire

Het Iraanse aanbod aan drie grote Europese landen om de verrijking van uranium op te schorten is een herhaling van zetten. Een jaar geleden deed Teheran een soortgelijk aanbod aan de drie landen.

Een herhaling van zetten, anders kan het Iraanse aanbod aan drie Europese landen om de verrijking van uranium tijdelijk stil te leggen, niet genoemd worden. In oktober 2003 beloofde Iran ook al plechtig de verrijking van uranium op te schorten in ruil voor Europese technische steun. Ook toen ging een officieel afschrift van de overeenkomst met Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland, die de verdenking van een kernwapenprogramma moest wegnemen, naar het Internationale Atoomenergie Agentschap (IAEA) in Wenen.

Maar kort erop verslechterde de sfeer weer toen duidelijk werd dat Iran nog steeds niet geheel open kaart speelde en modernere gascentrifuges in ontwikkeling had dan was opgegeven. Onthullingen in Pakistan, waar dr.ir. A.Q. Khan in ongenade viel, en in Libië, waar leider Moammar Gaddafi alle massavernietigingswapens afzwoer, toonden aan dat Iran jarenlang door een internationaal nucleair netwerk was bevoorraad. In reactie op de felle kritiek liet Iran weten dat het het werk aan uraniumverrijking zou hervatten. En het onderstreepte dat het daartoe als lid van het NPV-verdrag (tegen verspreiding van kernwapens ) ook het volste recht had.

Iran sloot zich in 1968 aan bij het NPV en tekende in 1974 de bijbehorende gedetailleerde waarborg-overeenkomst die onder meer de inspecties regelt. De indruk was dat het land alleen een kleine onderzoeksreactor had en dat Duitsers, later Russen, werkten aan een nucleaire elektriciteitscentrale. Maar na onthullingen in augustus 2002 bleek in februari 2003 dat Iran, onopgemerkt door IAEA-inspecteurs, een omvangrijke nucleaire industrie had opgezet. Onder meer werd gewerkt aan uraniumverrijking en aan een fabriek voor zwaar water.

In mei bleek bovendien dat gebouwd werd aan een kernreactor die dat zwaar water zou gebruiken. Zulke reactoren staan bekend als uitgesproken plutonium-producenten. Het vermoeden dat Iran niet aan een civiel maar aan een militair programma werkte werd daardoor steeds sterker.

Sinds februari 2003 zijn herhaaldelijk ploegen IAEA-inspecteurs op bezoek geweest en tot dusver hebben zij zesmaal gerapporteerd. Elk rapport leidt tot een resolutie waarin de beheersraad van het IAEA zijn oordeel geeft over voortgang en resultaten. De toon van de resoluties wisselt van scherp en dreigend tot mild en waarderend.

De ontdekking van sporen hoog verrijkt uranium wekte veel onrust en voor de Amerikanen was het de zoveelste aanleiding erop aan te dringen de kwestie Iran als een schending van het NPV-verdrag voor te leggen aan de Veiligheidsraad. De 35-koppige beheersraad van het IAEA, waarin 10 EU-landen zitting hebben, heeft daar tot dusver echter van afgezien. Het IAEA was, met aarzeling, bereid aan te nemen dat het hoog verrijkt uranium al op apparatuur aanwezig was toen het uit Pakistan werd geïmporteerd.

Begin september werd het laatste rapport uitgebracht. De toon was welwillend: de IAEA-inspecteurs waren overal toegelaten, er was niet gebleken dat Iran aan een atoombom werkte en voor de sporen hoogverrijkt uranium was een verklaring gegeven. En passant maakte het rapport bekend dat Iran 37 ton uranium-erts ging omzetten in hexafluoride, het uitgangsmateriaal voor verrijking. Dat wekte weer wantrouwen.

Toch was de opvolgende resolutie (18 september) ondanks zware Amerikaanse druk ook mild. De beheersraad betreurde `diep' dat Iran weer aan verrijking was begonnen. Men noemde het `noodzakelijk' dat Iran dat werk, als vertrouwenwekkende maatregel, opschortte. Ook riep men Iran op het werk aan zwaarwaterreactor te heroverwegen. Maar feller was de toon niet. Een ultimatum valt er niet in te ontdekken.