Gubbels bedient al zijn fans

Beroemd worden met vaatwerk, het is Klaas Gubbels (Rotterdam, 1934) gelukt. De oogst van het jarenlang schilderen van stillevens met koffiepotten en tafels is bijeengebracht en chronologisch gerangschikt in de expositie Totaal in het Arnhems Museum voor Moderne Kunst. Het hele gebouw hangt vol met schilderijen van wankele tafels met spinachtige poten, schaakborden en natuurlijk de voor hem zo kenmerkende koffiepotten, in eindeloze hoeveelheden.

De koffiekan, die al in de vroege jaren zestig zijn intrede doet, wordt zijn handelsmerk en zal dat veertig jaar lang blijven. In die vroege jaren schildert Gubbels in een ongepolijste stijl en gebruikt hij bedekte, donkere tinten. De verf is bijna achteloos aangebracht, het gaat hem niet om het mooi weergeven van de realiteit. De verwantschap met Cobra is in die beginjaren nog goed te zien in de ruwheid van zijn schilderstijl. Later volgt hij steeds meer zijn eigen weg. In de loop van de decennia zie je een meer gerichte blik ontstaan: kannen en tafels worden steeds vaker alleen afgebeeld in plaats van als onderdeel van een uitgebreider stilleven. In de jaren tachtig ontstaan de meer gestroomlijnde koffiepotten met lange tuit, de potten die intussen haast als logo voor Gubbels' kunstenaarschap dienen.

De expositie heeft kenmerken van een blockbuster. Dat het Arnhems museum een breed publiek wil aanspreken, maakt het uitgebreide programma rondom de expositie wel duidelijk. Zo kun je met een werk van Gubbels op de foto, lezingen bezoeken of met de kunstenaar zelf praten (zoals op zondag 21/11, 12.30u.). Gubbels lijkt wel een popster die zijn fans niets tekort wil doen. En voor wie alleen schilderijen niet voldoende zijn, bestaat de mogelijkheid om Gubbelsstoelen te kopen.

Maar ook de tentoonstelling zelf heeft voor elk wat wils. Zo zijn er de truttige schilderijen van koffiekannen met hartjes, die hij schilderde in de periode 1984-2004. Ze zouden het goed doen als wenskaart. Een schilderij van een roze tafel met twee borsten (Zonder titel uit 1991) behoort tot de meer ondeugende schilderijen. En een vrolijke noot tref je aan in assemblages van gevonden potten en pannen, zoals een object met een motorbril op een potje en een trechter op zijn kop. Het werkje uit 2002 met de titel Cherry Duyns is een portret van de cineast en schrijver Duyns.

Wat opvalt is dat al deze assemblages op het zicht niet te dateren zijn. De vormentaal, de grapjes – ze kunnen gemaakt zijn in de jaren zeventig of pas vorig jaar. De tijdgeest heeft amper vat op Gubbels, waardoor afwisseling in zijn werk ontbreekt en de herhaling van vormen en onderwerpen gaat vervelen. Een leuke uitzondering zijn de posters die Gubbels in de jaren vijftig ontwierp als aankondiging van jazzavonden of tentoonstellingen. Ze zijn een getuigenis van de speelse en vrolijke kanten van de jaren vijftig.

Gelukkig wisselt hij de vele stillevens sporadisch af met werken waarin mensen voorkomen – portretten van bevriende kunstenaars en schrijvers, maar ook ongedefinieerde menselijk gestalten, zoals bijvoorbeeld het zwevende wezen in de Tafelzitster uit 1970. De figuur is ineengedoken en oogt kwetsbaar, lukraak bovenop een tafel. Het schilderij is raadselachtig, maar ook grappig en weet daardoor te boeien, iets dat niet gezegd kan worden van de gestage stroom aan servies.

Gubbels is altijd trouw gebleven aan zijn model, de kan. In de laatste zaal, de Rijnzaal met uitzicht over de rivier, staat het sluitstuk van de expositie, een manshoog object van enkele uit hout gesneden koffiekannen op hun kant. Tegen de tijd dat je daar bent aanbeland, dansen de kannen voor je ogen.

Tentoonstelling: Gubbels Totaal. T/m 30 januari in het Museum voor Moderne Kunst Arnhem, Utrechtseweg 87, Arnhem. Di t/m vrij 10-17 uur. Inl. 026-3512431, www.mmkarnhem.nl