De tweede ruimte

Soms heb ik geen idee meer wat religie nu eigenlijk is. Hoe kan het dat er vorige week allemaal mensen bijeen waren in een zaaltje die eer brachten aan de theoloog H.M. Kuitert vanwege zijn tachtigste verjaardag, en dat ze spraken over rituelen en tradities, over het niet zeker willen weten, over het verlangen iets te ervaren, ja wat, iets dat buiten jezelf ligt, transcendentie, en dat ze allemaal dachten dat ze het over religie dan wel religieuze verlangens hadden, terwijl je in de krant alleen maar leest dat religie iets is met bommen, pistolen en messen, iets dat te maken heeft met scholen die je moet willen sluiten en gevaarlijke ideeën die je misschien thuis in de keuken nog wel zacht tegen elkaar mag mompelen maar die je buitenshuis maar liever stil moest houden.

Laatst had ik met vrienden een lang gesprek over het ervaren van dat waar je geen greep over hebt – hoe bij het maken van een gedicht altijd iets komt kijken dat, naar de overtuiging van de dichter, niet door hemzelf bewerkstelligd is. Zoals Ida Gerhardt schreef: ,,dat wat het vers tot vers maakt, is niet van sterfelijke oorsprong.'' Maar zij zei dat nu eenmaal graag zo, en wij wilden niet al te snel met goddelijke inspiratie en een hele metafysische wereld aankomen – hoewel we tegelijkertijd in meerdere of mindere mate wel de behoefte hadden om die `andere' wereld aanwezig te voelen. `De tweede ruimte' noemt de dichter Czeslav Milosz dat. Hij schrijft over `ruime hemelse vertrekken' en `treden van lucht' over de `ziel' die zich losmaakt van het lichaam en zucht dan: ,,Hebben we werkelijk ons geloof in de tweede ruimte verloren?'' Hij noemt ook Hel en Hemel en Verlossing en schrijft: ,,laten we treuren, weeklagen om dit grote verlies (...) Laten we smeken – moge ons de tweede ruimte/ worden teruggegeven.''

Ik weet niet of Milosz het allemaal heel letterlijk bedoelde. Ik ben geneigd om te denken van niet, maar dat zal ook wel iets met eigen voorkeuren te maken hebben. Het kan enorm steun geven, richting geven aan een leven om bepaalde voorstellingen in ere te houden en daarin te `geloven' zolang die voorstelling wordt opgeroepen – door een kunstwerk, door gebed, door een kerkdienst misschien. Daarbuiten is het beter niet vol te houden dat er zoiets als een hemel en een hel bestaan. Heel dat woord `bestaan'is in dit verband altijd nogal heikel. ,,Bestaat God?'' ,,Bestaat de hemel?'' Geen vragen waarop je kunt antwoorden. Mij lijkt altijd dat de vraag moet luiden: ,,Betekent het woord `god' iets voor je?'' ,,Zegt het begrip `oordeel' je iets?'' Maar ,,geloof je in God?'' – wat mag dat betekenen? Welke god had u gehad willen hebben?

Vaak zeggen mensen: ,,Maar dan is het allemaal alleen maar verbeelding''. Dat is waar, maar de woorden `alleen maar' zijn niet op hun plaats. Verbeelding, een beeld of een voorstelling maken van iets, ook als je heel goed weet dat het om een voorstelling gaat, kan toch alles anders maken. Voor de duur van een film of een toneelstuk vindt niemand het moeilijk om in de gegeven verbeelding te verdwijnen je gelooft erin zolang het duurt. Valt het doek, eindigt de film, dan geloven we niet dat de film of de toneelwereld intussen doorgaat. Er is wel degelijk een andere ruimte, maar tijdelijk. In de geest. Daarmee is die ruimte niet onbelangrijk integendeel.

Heel mooi wordt het belang van andere voorstellingen getoond in Orhan Pamuks roman Mijn naam is Karmozijn, waarin een fundamentele richtingenstrijd wordt uitgevochten aan de hand van hoe iemand schildert. ,,Want zo gauw iemand een paard anders begint te schilderen, verandert ook zijn waarneming van de wereld.'' Zo is het maar net.

Een onderwerp waar iedereen het trouwens de laatste tijd nogal druk mee had: als je `oorlog' zegt is het ook oorlog. Als je mensen bijnamen geeft, met dieren vergelijkt, dan is je bedoeling ook om die mensen daadwerkelijk anders te zien. En dat gebeurt ook.

Daarom las ik, omdat ik even een andere voorstelling van zaken wilde hebben en om mezelf plezier te doen, het boek van Kees Beekmans Eén hand kan niet klapt. Kees Beekmans is leraar op een `zwarte' (zo'n raar begrip, waarom heet dat zwart?) school en beschrijft, op een voorbeeldige manier, allerlei voorvallen in zijn lessen. De hele hedendaagse wereld zie je erin, met al zijn grappige, sneue en angstige kanten. Doordat Beekmans nooit vergeet om ook naar zichzelf te kijken, ook nooit om zich af te vragen waaróm een leerling zich op een bepaalde manier gedraagt is zijn boek een wonder; je ziet ineens veel meer. Je ziet ook wel dat iets veranderd is – in een vroeg stuk moet hij nog erg lachen om de jongens die, volgens een meisje uit hun klas ,,in de zomervakantie fundamentalist geworden'' zijn. Het valt trouwens ook erg mee met dat fundamentalisme van die jongens – je bent geneigd om daarbij te denken: `toen nog wel'. In een eveneens al wat ouder stuk komt de klas te praten over Rushdie en roepen een paar moslimjongens ,,Deesj man, hij moet dood!'' Beekmans verbaast zich over hun klakkeloze gehoorzaamheid aan iets dat de meesten van hen, die hij heel aardige kinderen vindt, `wezensvreemd' is. Ja, zo kan religie ook zijn. Een partij regels en normen en voorschriften waaraan je moet gehoorzamen, los van alles wat je zou kunnen denken, of zou willen zijn. Dan krijgt `de tweede ruimte' ineens een heel andere invulling – een heel concrete. Geen sprake meer van het aanwezig stellen van een beeld voor de duur van een gesprek, een gedicht, een ritueel en door die verbeelde aanwezigheid je leven diepte laten krijgen. Welnee. Alles echt.

Laats schreef iemand in Trouw dat `christenen' (daar stel je je nu werkelijk níets homogeens bij voor) misschien wat verdraagzamer waren (nu ja, dan toch sinds kort) omdat de bijbel zichzelf op ongeveer elk punt ook tegenspreekt. Misschien. Het is iets dat mooi is aan bijvoorbeeld de Griekse mythische en religieuze voorstellingen. Die hangen van tegenspraken aan elkaar, en bovendien blijven als de nieuwe goden, de Olympische, aan het bewind zijn gekomen, de oude nog wel zo'n beetje bestaan. Af en toe is er een Titaan die iets doet, beschermt. Zulke ideeën hoeven allemaal niet weg. Op die manier zou je een steeds rijkere voorstellingwereld krijgen, in plaats van een steeds armere. ,,De nieuwe waarheid vervangt de oude niet, zij herschrijft haar'', schreef Paul Claes in zijn boek Zoon van de panter. Iets om aan te denken.