De calo's hebben nog wel kaartjes

Aan het einde van de vasten gaat Indonesië op reis.

In die drukte verkopen `makelaars' de treinkaartjes die aan het loket zijn uitverkocht. Parasieten, zegt de overheid plichtmatig, maar iedereen doet mee.

In de Ramadan krijgt Station Tugu van Yogyakarta een opknapbeurt. Een paar dagen voor vasteneinde nadert het werk zijn voltooiing. Een metselaar strijkt de perronranden af en in de restauratie zet een schilder een vernislaag op de kozijnen.

Tegen Idul Fitri (Dag der Loutering), de eerste dag na de vasten, komt een grote volksverhuizing op gang, die hier arus mudik – de trek stroomopwaarts – heet. Indonesische moslims reizen naar hun geboortedorp om hun ouders vergeving te vragen voor de zonden van het afgelopen jaar en het nieuwe islamitische jaar met een schone lei te beginnen.

In de Grote Trek vóór Idul Fitri is Yogyakarta-Tugu een eindbestemming. De stationsrestauratie is een comfortabele observatiepost. Als in de loop van de ochtend de exprestreinen naar Jakarta vertrekken, zijn de perrons bijna leeg. Bij tienen staat de Taksaka (Oud-Javaans voor slang), een luxe trein met bestemming Jakarta-Gambir, gereed op spoor 2 en de stewards en stewardessen, in deze heilige maand gestoken in fraaie moslimdracht, begroeten slechts een enkele gast. Aan het einde van de middag loopt de Dwipangga (olifant) uit Jakarta binnen en worden de perrons overspoeld met reizigers: mannen, vrouwen en kinderen, overladen met geschenken voor het thuisfront. De perronstalletjes met eten, drinken en snoepgoed moeten nog even wachten op hun topomzet, want de arriverende reizigers zijn nog aan het vasten.

De loketten in de stationshal verkopen alleen kaartjes op de dag van vertrek. Wie vooruit wil bestellen, moet naar Reserveringen, een kantoortje aan de zuidzijde van station Tugu. Dat blijkt een bruisende bazaar. Op de trappen zitten mannen met honkbalpetjes, een enkeling in een leren jack, en wie naar binnen wil, wordt discreet benaderd: ,,Waar gaat de reis heen?''

Voorin de kleine hal zetelt een beambte in uniform. Hij neemt de bestelling op en schrijft een verwijsformulier uit voor het loket. Ik vraag om een kaartje naar Jakarta voor 21 november. Dat is `H (Hari Raya, 14 november) plus 7', als de terugkeer op gang is gekomen. De beambte kijkt bedenkelijk naar de monitor en schudt zijn hoofd. ,,Uitverkocht, meneer.''

Ik loop naar de monitor en een jongeman in groen T-shirt, die mijn wens heeft opgevangen, helpy me. Hij wijst op de tabel waarin de data 18 tot en met 22 november voor treinen naar Jakarta rood zijn omkaderd. ,,Zijn die echt allemaal op?'', doe ik wanhopig. De jongeman aarzelt en zegt: ,,Probeert u het eens bij de stationschef''.

De jongen in het groen is een calo, een informele makelaar, net als die andere mannen – en een enkele vrouw – die in en om Reserveringen hangen. Wie goed kijkt, ziet hen spelen met stapels kaartjes. Deze tussenhandel floreert, maar is illegaal, en calo's schrikken ervoor terug hun diensten aan te bieden aan vreemdelingen. De stationschef heeft altijd een paar kaartjes achter de hand voor toeristen, maar als ik zijn hulp inroep, blijft de bazaar voor mij verborgen. ,,Hij is er niet'' , zeg ik, ,,en ik moet nu een kaartje hebben. Kunt u mij helpen?'' ,,Wacht even'', zegt de jongen in het groen, en hij verdwijnt naar buiten. Even later komt hij terug met een dertiger in batikhemd, een zilver ringetje in het linkeroor. Hij heeft het gevraagde ticket en dat is 60.000 roepia (6 euro) duurder dan het officiele tarief. ,,Weet u'', zegt hij met een glimlach, ,,dit kaartje komt van de zwarte markt, ik hoop dat u daar geen bezwaar tegen hebt.'' ,,Welnee'', zeg ik, ,,als ik maar in die trein kom.'' Hij lijkt gerustgesteld, overhandigt me het ticket en incasseert het geld. Dat geeft hij meteen af aan de jongen in het groen, die verwijnt naar een balie in de hoek van de hal. Daar zit doorgaans de spoorwegpolitie, maar die is nergens te bekennen en de post zit vol calo's. De man in batik is toeristengids én calo – het toerisme beleeft slechte tijden – en fungeert bij deze transactie als masseur. Later hoor ik dat de calo's van Tugu nog nooit een kaartje hebben verkocht aan een buitenlander.

Voor het woord calo bestaan vele vertalingen: tussenpersoon, makelaar, koppelbaas, agent, werver of regelneef. De Indonesische maatschappij hangt aan elkaar van calo's die vraag en aanbod aan elkaar knopen. Hun zwarte inkomen varieert van enkele duizenden tot miljoenen roepia's per transactie. Voor het versnellen van procedures, het vinden van een huis of huurder of het ronselen van arbeidskrachten doen aannemers, huiseigenaren en woningzoekenden beroep op een calo. Hun klanten zijn zowel eenvoudige burgers met bureaucratenangst als luie welgestelden die inkopen en betalingen overlaten aan anderen. Het bemiddelingsloon is hoog en de kosten zijn navenant.

Tijdens vervoerspieken kopen calo's via vrienden en bekenden op grote schaal kaartjes in, al of niet met medewerking van loketpersoneel, die delen in de winst. Zo schept de calo schaarste, die hij vervolgens te gelde maakt. Elk jaar opnieuw legt de minister van Verbindingen strijdlustige verklaringen af over een `resolute aanpak van het calowezen'. Vier jaar geleden veegden leger en politie Tugu schoon en moesten de calo's enige tijd zaken doen op enkele honderden meters van het station. Deze Ramadan zijn ze weer heer en meester in Reserveringen. De taxichauffeurs en becak(fietstaxi)-rijders brengen tegen commissie volop klanten aan. De calo's van Tugu – hun vertrouwen is gewekt omdat ik hen niet heb aangegeven – zeggen dat er nog nooit een spoorwegbeambte is ontslagen omdat hij zaken met hen deed.

De stationschef van Tugu, Dwiyana Slamet Riyadi, is een jonge doctorandus in de economie, die nu vier maanden in functie is. Ook zijn werkkamer is gerenoveerd; voor de ramen hangen nieuwe, gebatikte gordijnen. ,,Alle chefs vragen het bedrijf om renovatiefondsen en dit jaar zijn wij aan de beurt'', zegt Dwiyana. ,,De Indonesische Spoorwegen zijn heel centralistisch'', moppert hij, ,,de stationschefs worden overladen met taken en instructies, maar hebben nauwelijks bevoegdheden of geld. Slechts 0,02 procent van onze maandelijkse inkomsten uit kaartverkoop, reclame en ruimteverhuur komt terug.''

Om de jongste verklaring van de minister van Verbindingen – ,,We gaan afrekenen met het calowezen'' – moet hij hartelijk lachen. ,,Dat heb ik vaker gehoord. Weet u, we kunnen niet volstaan met repressieve maatregelen. Na een veegactie krijgen calo's heel lichte straffen: ze zitten een dag of twee vast en dan kunnen ze gaan. Identificatie van calo's is lastig want zij besteden de inkoop uit aan vrienden en buren. Die kunnen we moeilijk allemaal oppakken. De enige weg is verbetering van de dienstverlening. We hebben de reserveringsperiode verlengd van zeven dagen tot een maand vóór vertrek. Verder mogen reisbureaus tegen een bescheiden commissie kaartjes verkopen, zodat het aantal verkooppunten – nu maar 30 op heel Java – wordt vergroot.''

Voor de hoofdingang van het station Tugu heeft de politie van Yogyakarta dezer dagen een post ingericht, ter afschrikking. ,,Dat helpt niks'', zegt Dwiyana, ,,en het handjevol spoorwegpolitie dat ik hier heb, is goede maatjes met de calo's.'' Aan het eind van het gesprek biecht de stationschef op: ,,Ik hoop dit werk niet langer dan een jaar te doen. Je bent hier machteloos. Wie wat wil veranderen, moet doordringen tot het hart van het bedrijf.''