Achterhaald delict

,,De conclusie is toch wel deze dat vervolging wegens smalende Godslastering gewoon uit de tijd is.'' Zo noteerde de hoofdredacteur van Het Vrije Volk en latere hoogleraar strafrecht Th. van Veen na de destijds geruchtmakende vrijspraak van Gerard Reve in het zogeheten Ezeltjesproces in 1968. Minister Donner (Justitie, CDA) wil deze strafbepaling nu toch weer van stal halen, als deze beeldspraak geoorloofd is, om grenzen te stellen aan verbale aanvallen op de islamitische overtuiging. De ironie wil dat de slapende strafbepaling afkomstig is van grootvader Donner. Deze introduceerde hem in de jaren dertig – een periode die bekend is door de ,,autoritaire stroming'' in het strafrecht – terwijl Nederland het 121 jaar heel goed zonder had kunnen stellen.

Met reden hekelden de liberalen van die tijd ,,het geloof in het heil van verbieden'' dat uit het wetsvoorstel sprak. Ook nu ziet de confessionele minister Donner zich geconfronteerd met scepsis bij zijn liberale coalitiegenoten. De Wet-Donner is met reden betiteld als ,,een sprong in het duister''. ,,Juist op dit gebied is het onvermijdelijk dat krenking van gevoelens in allerlei vorm plaatsvindt. De religie raakt nu eenmaal het hart van de mens. Wat door de één een heilig mysterie is, is voor de ander een gruwelijke afgoderij'', aldus de jurist De Roo in zijn Groningse proefschrift uit 1970. Dat laatste gaat letterlijk op in het strafrecht. De Heidelberger catechismus mag de mis een ,,vervloekte afgoderij'' noemen, de SGP de ouwel een ,,broodgod''. De oude Donner maakte een uitzondering voor ,,wetenschappelijke uitingen en kondgevingen van eerlijke overtuiging, hoe bewogen ook''. Het ging hem om ,,hoonen''.

Daarvoor is echter in de jaren zeventig een nieuwe strafbepaling gemaakt tegen het beledigen van een bevolkingsgroep wegens hun geloof. De opperste ironie is dat deze al eens heeft geleid tot een strafvervolging tegen Theo van Gogh, al ging het toen om joden en niet om moslims. Het waren uitingen die velen te ver gingen. Maar dat betekent nog niet dat de overheid zich ambtshalve door middel van strafvervolging actief moet mengen in dit soort disputen, zoals Donner nu lijkt te bepleiten. De meer recente vervolging en vrijspraak van de imam El-Moumni over homoseksuelen, onderstreept het risico van justitiële interventie op dit gebied.

Het kan zijn dat minister Donner met zijn suggestie de islamitische gemeenschap enige compensatie wil bieden voor zijn staccato aan nieuwe strafbepalingen tegen extremisme. Het is niet onbegrijpelijk wanneer deze gemeenschap als geheel het gevoel bekruipt dat zij eenzijdig op de korrel wordt genomen door de overheid. Maar het bestraffen van smalende godslastering is het verkeerde middel om daaraan tegemoet te komen. Dit delict is de seculiere pendant van islamitische fatwa's zoals die tegen de schrijver Rushdie: het soort strafbaarstelling waarvoor asielzoekers juist naar ons land vluchten. Als Donner werkelijk het geboden tegenwicht wil bieden, kan hij zich beter nog eens goed bezinnen op de vraag of zijn nieuwe strafbaarstellingen wel zorgvuldig genoeg zijn toegesneden op de gevaren die ons bedreigen. Een achterhaalde strafbepaling aanbieden als bliksemafleider biedt geen soelaas.