`Vroeg of laat komen ze bij ons'

De Europeanen zijn vertrokken uit Ivoorkust. De achterblijvers wachten in angst af hoe het nu verder gaat in het verscheurde land. `Iedereen is bang'.

De kok van de eerste secretaris van de Nederlandse ambassade springt op als de auto aan komt rijden. Drissa zit onder een boom voor de villa, samen met een kleine, magere man in een geel bewakersoverhemd. De bewaker zwaait de poort open en laat het bezoek de uitgeholde woning zien. Triest bekijkt de kok de wanorde. Alle apparatuur is door plunderaars uit de keuken gesleept.

Drissa is een verslagen man. Voor zijn quiches zijn geen afnemers meer. Na elf jaar in Ivoorkust bereidt hij zich voor op de terugreis naar Burkina Faso, het noordelijke buurland dat miljoenen gastarbeiders aan het eens zo welvarende Ivoorkust heeft geleverd. Koks, bediendes, nachtwakers, meestal zijn ze allemaal Burkinabé. De Nederlandse baas van Drissa, de patron, is met vrouw en Cocker Spaniel vertrokken. Als de blanken weggaan, is er voor mij geen werk meer, zegt Drissa, een kookboek in de hand. Hij roept ons nog na. Heeft u geen kok nodig?

De verslagenheid is groot in Abidjan. Vorig weekeinde trokken meutes jongeren door de stad om te protesteren tegen de vernietiging door het Franse leger van de Ivoriaanse luchtmacht. Plunderaars mengden zich onder de demonstranten en haalden tientallen villa's leeg, in sommige gevallen met hulp van de ordediensten die als eerste mochten uitzoeken. De veelal blanke bewoners schrokken in het holst van de nacht wakker van joelende bendes die deuren en ruiten insloegen. De vredesmacht van het voormalige moederland Frankrijk besloot daarop zoveel mogelijk Franse burgers te evacueren. Iedere dag vertrekken ten minste drie vliegtuigen met blanken richting Ghana of Europa. Nederland en Engeland haalden respectievelijk donderdag en vrijdag hun burgers weg.

De achterblijvers rest niets dan een gewonde stad. De meeste Europeanen hadden personeel in dienst, thuis of op kantoor. Honderden bedrijven zijn overhaast gesloten. In ieder geval tijdelijk, maar misschien wel definitief. Een aantal banken ging vrijdag open, evenals de supermarkten die in Libanese handen zijn. Bussen en taxis rijden weer. Maar het economische verkeer is grotendeels lamgelegd. De informatievoorziening is verontrustend. De staatstelevisie zendt avond na avond anti-Franse propaganda uit, inclusief oproepen aan vaderlandslievende jongeren om zich te blijven mobiliseren. Oppositiekranten verschijnen niet meer. De regering van nationale verzoening bestaat alleen nog in naam. Schaamteloos hebben de extremisten rond president Laurent Gbagbo de macht overgenomen.

Veel Ivorianen zien de machtsovername met lede ogen aan. Ze hangen lusteloos rond op straat. In de doorgaans gemoedelijke buurtwinkeltjes kan er geen glimlach meer af. Jongeren scholen samen om met gedempte stem te laatste ontwikkelingen te bespreken. Het werk ligt immers stil. Amadou woont in de volkswijk Koumassi. Ik houd me gedeisd, zegt hij aan de telefoon. Amadou is in Ivoorkust geboren, maar heeft Malinese ouders. Sinds zijn jeugd heeft hij het stigma een buitenlander te zijn. Jongens als Amadou staan wantrouwend tegenover de huidige regering, omdat ze als tweederangsburgers worden behandeld. Hij voelt zich solidair met de rebellenbeweging die in september 2002 Gbagbo wilde afzetten. Het zijn mensen van dezelfde stam. Maar Amadou voelt zich nu ook solidair met de oppositie, als die tenminste nog bestaat.

Ik en mijn vrienden praten niet meer met de aanhangers van Gbagbo. Hoewel ik ze wel ken, ze wonen niet zo ver bij mij vandaan, zegt Amadou. Als ze de Fransen het land hebben uitgejaagd, komen ze vroeg of laat bij ons. De Bété denken dat ze gewonnen hebben, dus terroriseren ze iedereen. Hij sluit etnische conflicten tussen de zuidelijke Bété, de stam van Gbagbo, en de Malinké, die noorderlingen worden genoemd en ver in de meerderheid zijn, niet uit. Dat zou ernstig zijn, dan krijgen we een etnische oorlog. Maar ik geloof dat de Gbagbo-mensen daar nog niet aan denken. Amadou geeft de telefoon door aan zijn vrienden, die zijn woorden beamen. Momenteel is het rustig, zegt een jongen die zich Baba noemt. Maar iedereen is bang.

De president moet opstappen voordat Ivoorkust over de afgrond valt, vindt de oppositie, die zich schuilhoudt en afwacht hoe het verder gaat. De Ivorianen die niets van Gbagbo moeten hebben, komen langzaam maar in actie. Hier en daar wordt gepraat over een demonstratie tegen het regime. In verschillende volkswijken zijn bewoners buurtcomités aan het vormen, zegt de hoofdredacteur van een oppositiekrant die op non-actief staat omdat het kantoor vorige week in brand werd gestoken. Klopt, bevestigt een jonge militant van de voormalige regeringspartij PDCI. ,,We hebben groepjes gevormd die te hulp kunnen schieten als een van onze buren wordt aangevallen. We zijn niet gewapend, de Gbagbo-mensen wel. Mocht er werkelijk iets gebeuren, dan vallen er natuurlijk slachtoffers. Maar wij zijn met veel meer. We durven ze aan.''

Het vertrek van de Fransen en andere Europeanen doet hem pijn. ,,Ze hebben niets misdaan. Hoe moeten wij straks een baan vinden?''