Tussen stoommachine en computer

Van losjes samenhangende regio's werd Nederland in de loop van de twintigste eeuw een hecht samengesmeed land. In de zevendelige serie Techniek in Nederland in de twintigste eeuw wordt dit proces voor het eerst systematisch door een technische bril beschreven.

IN ZES DELEN Techniek in Nederland in de twintigste eeuw, tezamen meer dan tweeduizend pagina's, hebben enkele tientallen auteurs gepoogd het nogal weidse onderwerp aan de hand van talloze case studies in beeld te brengen. Van de opmars van het strijkijzer in het modale huishouden tot die van allerlei typen hijskranen in de Rotterdamse haven, van de aanleg van een landelijk elektriciteitsnet tot het ontwerp van de Bruynzeelkeuken. In het zevende en laatste deel van de serie wordt het verzamelde materiaal nog een keer, maar nu door een andere bril bekeken. Nu staan niet de gevallen centraal, maar een breder theoretisch raamwerk. Wat draagt de subdiscipline techniekgeschiedenis eigenlijk bij aan ons beeld van het verleden?

Daarvoor is het nuttig kort terug te blikken op de serie Geschiedenis van de techniek in Nederland 1800-1890, die in de jaren negentig verscheen. In die serie, die onder leiding van hoogleraar techniekgeschiedenis in Delft en Eindhoven Harry Lintsen tot stand kwam, stond één vraag centraal: is het populaire beeld van Nederland in de negentiende eeuw als het land van Jan Salie correct? Was het echt zo dat Nederland technisch achter liep, dat hier bijvoorbeeld minder stoommachines werden gebruikt dan in de omringende landen?

In zes delen werd dit beeld gestaag tot een mythe. Het klopt dat stoom in Nederland relatief laat doordrong, maar dat lag niet aan onwetendheid of onkunde. Ondernemers hielden zich via publicaties en bezoeken aan tentoonstellingen op de hoogte van internationale ontwikkelingen. Maar de structuur van de Nederlandse economie was anders dan die van Engeland, België of Duitsland, waardoor omschakelen op stoom lang niet altijd de meest rationele oplossing was. Niet achterlijk, wel anders, luidde de conclusie.

De serie over de twintigste eeuw, met Johan Schot als programmaleider, heeft nimmer zo'n centrale vraag of these gehad. Dat is ook wel aan de diverse deelstudies te merken. De onderlinge variatie in thematiek en benadering is veel groter dan die in de serie over de negentiende eeuw. Enerzijds ligt het voor de hand dat zo'n centrale these moeilijker te formuleren is voor een tijdperk dat dichterbij is. Anderzijds hangt deze wat zwalkende – of welwillender geformuleerd, zoekende – benadering wellicht samen met de ontwikkeling van de subdiscipline techniekgeschiedenis zelf.

Dit vak heeft de afgelopen dertig jaar een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt, die is samen te vatten als de opkomst van de contextualistische benadering. Deze benadering poogt techniek, politiek, economie en cultuur in onderlinge samenhang en wisselwerking te bestuderen, in plaats van techniek als een gegeven te beschouwen (zoals in veel algemene geschiedwerken) of de samenleving als een gegeven te beschouwen (zoals in klassieke `bouten- en moerengeschiedenis'). Mede daardoor is er ook volop aandacht voor mislukte innovaties, die minstens zoveel inzicht verschaffen als de succesnummers waarop traditionele innovatiestudies zich concentreren.

spilNederlandse onderzoekers blazen in die techniekgeschiedenis een flinke partij mee. Gestimuleerd door het succes van beide onderzoeksprogramma's fungeert de Stichting Historie der Techniek nu als spil van een internationaal onderzoek dat de rol van technologie in Europa in de twintigste eeuw in kaart moet brengen. Twee Nederlandse hoogleraren, Johan Schot en Ruth Oldenziel, hebben de leiding over dit project.

De serie over de negentiende eeuw fungeerde voor Nederland als een proof of concept voor deze benadering: met de ontmaskering van de Jan-Saliemythe had de contextualistische techniekgeschiedenis zijn toegevoegde waarde voor de vaderlandse geschiedschrijving bewezen. Dat hoefde in de nieuwe serie dus niet nog een keer. Het werd tijd om nieuwe stappen te zetten. Maar welke?

In het eerste deel wordt het concept `betwiste modernisering' voorzichtig geïntroduceerd als richtinggevend kader. Het concept heeft een dubbel karakter. Enerzijds voerden nieuwe maatschappelijke elites als organisatiekundigen, architecten, kunstenaars en ingenieurs krachtige pleidooien voor modernisering in de zin van rationalisering en de toepassing van nieuwe materialen en productiewijzen. Verzet hiertegen bestond zowel in woord, bijvoorbeeld van de vegetariërsbond en van sommige gereformeerde stromingen, als in gedrag: mensen wilden best in een modern huis wonen, maar het moest wel gezellig blijven. Anderzijds was de term `modern' zelf omstreden, en bedoelde de één er iets anders mee dan de ander. Deze dubbele twist loopt als conceptuele rode draad door de zeven boeken – een stuk abstracter dan de Jan-Saliemythe.

Techniek heeft alles te maken met modernisering, maar modernisering is zeker niet alleen maar techniek. Er zijn vele boeken verschenen over modernisering waarin aan techniek hoogstens wordt gerefereerd als een gegeven. De auteurs zijn niet in de valkuil gestapt om de verhoudingen om te draaien en modernisering te beschrijven als een techniekgedreven proces. Het beeld dat ze bieden is genuanceerd: politieke krachtsverhoudingen, economische mogelijkheden, culturele wensen en twijfels krijgen allemaal hun plaats naast de techniek in engere zin. Voortdurend zichtbaar is dat techniek nooit `ineens' wordt ontworpen en vervolgens geadopteerd. Er komen steeds allerlei mensen en organisaties aan te pas die gebruiksmogelijkheden uitproberen of juist trachten te verhinderen. Een duidelijke meerwaarde ten opzichte van veel Nederlandse geschiedschrijving is dat in deze benadering de rol van het niet-verzuilde middenveld als bemiddelaars tussen productie en consumptie uitvoerig wordt belicht.

Die evenwichtige beeldvorming heeft echter ook een keerzijde. Soms komt de techniek zelf er wat bekaaid van af. Bezien vanuit algemeen historisch perspectief is dat logisch. De rol van techniek in de ontwikkeling van de chemische industrie was nu eenmaal groter dan die in de ontwikkeling van het rijkswegennet. Maar de vooral in techniek geïnteresseerde lezer komt daardoor in sommige hoofdstukken nauwelijks aan zijn trekken. In die zin is de serie over de twintigste eeuw minder technisch dan die over de negentiende.

sleuteltechnieken Waar laat je de twintigste eeuw beginnen en – eventueel – eindigen, en waarom? Hiervoor kon worden aangesloten bij de serie over de negentiende eeuw. Die liep van 1800 tot 1890, omdat dit de periode was die werd gedomineerd door de opkomst van een cluster van `sleuteltechnieken': stoom, spoorwegen, ijzer. Een sleuteltechniek is een techniek die drijvende kracht is of op zijn minst een belangrijke rol speelt in veel verschillende terreinen van de techniek. Voor de periode na 1890 zijn ook zulke dominante sleuteltechnieken aan te wijzen: de elektriciteit, de verbrandingsmotor, communicatietechniek en synthetische chemie. Maar die kwamen niet allemaal tegelijk op, en waren zeker niet allemaal al aan het begin van de eeuw van belang. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw komen nieuwe sleuteltechnieken op, met name de computer. In technische zin zou je de twintigste eeuw dan kunnen afbakenen als de korte eeuw tussen stoommachine en computer.

Dit bleek ook om andere redenen een tamelijk gelukkige greep. In deze periode voltrok zich wat de auteurs noemen de `materiële eenwording van Nederland'. Er kwamen nationale netwerken van wegen, spoorwegen, waterwegen, voor elektriciteit, drinkwater, aardgas en telefoon. Plaatsen en regio's die in 1890 nog betrekkelijk weinig met elkaar van doen hadden, waren in 1970 intensief en complex met elkaar verbonden.

Die netwerken vormen een aspect van technologie waarvan het belang nauwelijks is te overschatten. Techniekgeschiedenis wordt wel gezien als de geschiedenis van apparaten, maar juist in de twintigste eeuw is die opvatting niet houdbaar. Steeds meer nieuwe apparaten werken niet zonder een bijbehorend netwerk, zonder infrastructuur. De auto is ondenkbaar zonder wegen en zonder ketens van benzinepompen, de radio zonder elektriciteit en kabel of etherzenders, de afwasmachine zonder waterleiding. Dit is het technisch equivalent van wat in de sociologie de verlenging van interdependentieketens heet. Die gebieden werden niet alleen in technische zin met elkaar verbonden, maar ook in sociale zin. Mensen gingen reizen over grotere afstanden en verhuisden gemakkelijker naar een ander deel van het land. Snelwegen kwamen er niet alleen omdat er meer auto's kwamen, maar ook omdat mensen zich sneller over grotere afstanden wilden verplaatsen.

De jaren zeventig als einde van de `technische' twintigste eeuw lijkt behoorlijk te passen op de ontwikkeling van nationale infrastructuur. Nederland was af, althans die gedachte leefde bij menigeen.

Het concept van `betwiste modernisering' past wonderwel op deze afbakening. Uiteindelijk leggen de auteurs het einde van die modernisering bij de eerste oliecrisis in 1973, toen duidelijk werd dat aan onbeperkte groei een einde zou komen en het geloof aan een maakbare `goede samenleving' begon te tanen. Zoals toenmalig premier Joop den Uyl zei over het recente verleden: ``Die tijd komt nooit meer terug.''

Wel heeft het verkondigen van de `voltooiing van de modernisering' iets onbevredigends. Het is zoiets als het einde van de geschiedenis. Wat komt er dan daarna? Post-modernisering? De auteurs geven de voorkeur aan de term `reflexieve modernisering'. Kenmerk hiervan is dat deze niet blind is voor de negatieve effecten van modernisering, maar dat deze negatieve effecten een plaats krijgen in afwegingen en besluiten. De vraag wat er dan dáárna komt, blijft echter knagen.

De periodisering van negentiende, twintigste en eenentwintigste eeuw kan nauwelijks fraaier worden geïllustreerd dan aan de hand van een van de dominante beelden van techniek: de rokende fabrieksschoorstenen. Aanvankelijk symbool van de boosaardige fabrieken, de satanic mills, daarna hét beeld van de vooruitgang, van economische bloei en wederopbouw, en ten slotte dé metafoor voor milieuvervuiling. Terecht besteden de auteurs veel aandacht aan beeldvorming, die wordt ondersteund door vele illustraties.

In dit afsluitende deel wordt opnieuw veel aandacht besteed aan de case study over de opkomst van de graanelevator in de Rotterdamse haven, in detail beschreven in deel V. Die aandacht is terecht, want dit is de beste, meest veelzijdige en meest inzichtelijke case uit de hele serie. Zonder de analytische kwaliteiten en het verteltalent van de auteurs geweld aan te willen doen, valt te verdedigen dat deze studie zo interessant is omdat het bronnenmateriaal zo'n overweldigende rijkdom tentoonspreidt.

detailNagenoeg alle betrokken partijen hebben archieven achtergelaten, zodat zowel het precieze verloop der gebeurtenissen als de motieven die betrokken actoren hadden voor hun handelingen en standpunten in detail zijn te reconstrueren. Geschiedschrijven gaat beter als je – ceteris paribus – betere bronnen hebt.

In het algemeen zijn de beschreven gevallen uit business-to-business branches rijker dan die uit business-to-consumer sectoren. Vermoedelijk hangt dit verschil samen met de beschikbaarheid van bronnen. Hét probleem van de consumentensectoren is dat van de motieven van consumenten zelf zo weinig bekend is. Zij laten immers zelden archieven na waarin ze uitvoerig beschrijven welke discussies zich afspeelden binnen het gezin over het al dan niet aanschaffen van een afwasmachine of een elektrisch strijkijzer. Voor de interpretatie van consumentenoverwegingen is de historicus veelal aangewezen op de marketinginformatie van fabrikanten en op materiaal van zaakwaarnemers en belangenorganisaties. Maar aangezien deze organisaties – zoals de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen – zelf een belangrijke rol speelden in debatten over ontwikkeling en toepassing van techniek, is daaruit niet zonder meer af te leiden hoe gewone consumenten daaruit hun conclusies trokken.

Een fraai voorbeeld van de historiografische noodsprongen die dit oplevert is te vinden in de beschrijving van de opkomst van de telefoon in deel V. Wat voor gesprekken voerden gewone mensen over de telefoon? Waarvoor hadden ze zo'n apparaat? Omdat daarover vrijwel geen empirisch materiaal beschikbaar is, grepen de onderzoekers naar fictie: ze gebruikten romans, toneelstukken en films als een representatie van hoe echte mensen de telefoon gebruikten. Daaruit concludeerden ze dat de telefoon veel vaker werd ingezet voor ditjes en datjes, voor kletspraatjes en small talk, dan voor de zakelijke gesprekken waarvoor de PTT de telefoon propageerde.

jan salie Beide series gaan over techniek in Nederland, maar het perspectief op Nederland verschilt volkomen. Jan Salie was uiteraard erg Nederlands, maar in de serie over de negentiende eeuw is het perspectief expliciet internationaal. De centrale vraag was immers of Nederland – het land van Jan Salie – afweek van de omringende landen. Modernisering is zeker niet typisch Nederlands, desalniettemin ontbreekt het internationaal vergelijkend perspectief vrijwel volledig in de serie over de twintigste eeuw. Het blijft ongewis of modernisering in Nederland een ander karakter had of zich anders ontwikkelde dan in de omringende landen. Dat is onbevredigend.

Voor de periode 1890-1970 is keuze voor nationale geschiedenis te verdedigen, schrijven de auteurs, omdat de natiestaat fungeerde als richtinggevend kader voor techniekontwikkeling. Daar is zeker wat voor te zeggen. Het was immers de periode waarin de nationale infrastructuur tot stand kwam. Dat richtinggevende karakter van de natiestaat is op het breukvlak van twintigste en eenentwintigste eeuw al behoorlijk weggeglobaliseerd. In de negentiende eeuw had Nederland minder `harde' grenzen, in de eenentwintigste eeuw ook.

Maar de vraag die zich dan onmiddellijk opwerpt is wat de invloed van dat nationale kader was. Leidden andere nationale kaders tot andere uitkomsten, en zo ja waarom? In een enkel geval wordt daar wél iets over gezegd, en dat is dan meteen interessant, bijvoorbeeld bij de totstandkoming van elektriciteitsnetten: in Nederland waren de provincies de motor achter de snelle elektrificatie. Tegelijk vormden die provincies heel lang een blokkade tegen de vorming van nog grootschaliger netwerken, zoals die in de jaren twintig al wel in landen als Engeland, Frankrijk en Zweden ontstonden.

Misschien is het wel te veel gevraagd. Geschiedenis van de techniek in Nederland in de twintigste eeuw is al een mammoetproject zonder dat de blik afdwaalde over de rest van de wereld. De lezer is echter niet de enige met een verlangen naar een internationaal perspectief. De onderzoekers zijn zoals gezegd al enige jaren bezig om een vervolgproject op Europese schaal op poten te zetten. Dus we moeten gewoon nog even geduld hebben.

Het project was al groot, maar toch niet groot genoeg. De negentiende eeuw telde zes delen, de twintigste zeven, terwijl er in die twintigste zo veel meer gebeurde. Dat noopte tot scherpe keuzes, waardoor veel voor de hand liggende cases niet konden worden behandeld: de compactcassette, de fietsenindustrie, techniek van het `pientere pookje' (DAF wordt wel behandeld, maar aan de techniek van de automatische versnellingsbak wordt opmerkelijk weinig aandacht besteed); maar ook bredere vragen als: verdwijnt de harde, industriële techniek uit Nederland (Fokker, DAF, Werkspoor), zijn studenten in Nederland minder techniekminded (dan vroeger, dan elders)?

Dus ondanks dit monumentale overzichtswerk is er nog meer dan genoeg te doen. Mede dankzij deze serie beschikt Nederland over een groot aantal voortreffelijk ingevoerde techniekhistorici die de komende decennia hopelijk de tijd en de middelen vinden om veel van de resterende vragen uit te diepen.

J.W. Schot e.a. (red.), Techniek in Nederland in de twintigste eeuw - Deel VII: Techniek en modernisering, Balans van de twintigste eeuw. Walburg Pers, Zutphen. ISBN 90.5730.070.2, 372 blz. Prijs: €39,95