Malta

In het artikel `Fat ladies en giganten' (W&O, 6 nov) staat dat pas in het begin van de 20ste eeuw (bij de arts Themi Zammit) het idee opkwam dat de megalithische monumenten op Malta het werk waren van een prehistorische cultuur. Dat er geruime tijd daarvoor toch wel subtieler over het probleem werd geschreven dan in termen van druïden, bewijst Andrew Leith Adams. In `Notes of a Naturalist in the Nile Valley and Malta' (1870) merkte hij al op dat de ruïnes bij Hhagiar-Kim, Mnaidra en andere plaatsen `...fully entitled to claim a very great antiquity' waren. Aangezien hij ook fossiele olifanten bestudeerde, waaronder de dwergolifanten van Malta, moet hij een goed ontwikkeld besef van tijd hebben gehad, gepaard aan een behoorlijk analytisch vermogen. Zijn nu door modern onderzoek bevestigde inschatting was dan ook geen romantische slag in de lucht.

Andere onderzoekers hadden overeenkomsten gesignaleerd tussen ruïnes op Paphos (Cyprus) en de monumenten op Malta. Volgens Adams lijken Fenicische resten die hij zelf gezien had in het Mediterrane gebied niet op die van Malta. De laatste zijn volgens hem duidelijk primitiever.

Gezien de zeer primitieve details aan de ruïnes op Malta moesten deze volgens hem ouder zijn dan de Fenicische. Verschillen in de primitiviteit van de steenbewerking op Malta hingen volgens de auteur wellicht samen met verschillen in ontwikkeling, en dus in tijd.

Zekerheid kon in 1870 uiteraard nog niet geboden worden: `... yet how far distant this epoch may be in man's computation, and how remote from where the geologist ends and the archaeologist commences, we cannot at present even surmise'. Dit citaat suggereert tevens dat Adams er rekening mee hield dat de datering van de Maltese cultuur moest worden geplaatst in een periode die vóór het destijds aangehouden beginpunt van de Mediterrane archeologie lag.