Laat zo'n jongen werken

`Mohammed B. is een drop-out die zich dankzij een uitkering de luxe van zijn radicalisme kon permitteren', zegt Frits Spangenberg, socioloog, marktonderzoeker en Marokko-kenner.

De vanzelfsprekendheid waarmee jongeren een uitkering krijgen is funest.

Maar de werkgevers, willen die wel Marokkanen in dienst?

Mohammed B., de vermoedelijke moordenaar van Theo van Gogh, leek een goed geïntegreerde, tweede generatie Marokkaanse allochtoon. Een 26-jarige jongen uit Amsterdam-West die zijn havo-diploma haalde, jarenlang spijkerbroeken en gympies droeg en met wie je, volgens zijn vroegere vrienden, goed kon praten over de liefde. Hoe kan zo'n gewone Amsterdammer in korte tijd veranderen in een jihadstrijder op zoek naar een martelaarsdood?

Op die vraag zijn de afgelopen week uiteenlopende antwoorden gegeven. Voor socioloog Frits Spangenberg is het ontsporen van Mohammed B. een bewijs van het failliet van de Nederlandse verzorgingsstaat. De marktonderzoeker wijst op de sociale status van de verdachte. Ondanks zijn middelbareschooldiploma en ondanks zijn goede beheersing van de Nederlandse taal had Mohammed B. geen baan.

Een gezonde jongen, die net als bijna dertig procent van de Nederlandse Marokkanen leeft van een uitkering (bijstand, WAO en WW), volgens Spangenberg ligt daar een verklaring voor het `multiculturele drama' dat in korte tijd zo manifest is geworden. ,,Ons ideaal van een sociaal vangnet voor kansarmen is achterhaald'', zegt Spangenberg. De overheid is volgens hem vervreemd van de werkelijkheid. Er is werk genoeg, en er zijn genoeg uitkeringstrekkers die zo aan de slag kunnen. Hij pleit voor het afschaffen van vrijblijvende, tot niks verplichtende uitkeringen. Niet vanwege de besparingen die dat oplevert, maar omdat uitkeringen fnuikend zijn voor de integratie van minderheden. Een grote groep werkloze allochtone jongeren vormt een voedingsbodem voor moslimfundamentalisme, vindt Spangenberg.

Op dinsdagmiddag 2 november is de stemming op het Amsterdamse kantoor van Frits Spangenberg enigszins bedrukt. Een paar uur eerder is een Marokkaanse Amsterdammer opgepakt voor de moord op Theo van Gogh. Naar de motieven van de verdachte kan op dat moment alleen worden geraden. Maar hoe dan ook geeft deze schokkende gebeurtenis een actueel perspectief aan het onderzoek dat Spangenberg drie weken eerder heeft gepresenteerd. Motivaction, het marktonderzoekbureau van Spangenberg, vroeg vierhonderd directeuren van bedrijven uit het midden- en kleinbedrijf naar hun opvattingen over allochtonen.

Spangenberg is net teruggekeerd uit Marokko, waar hij een week vakantie hield in zijn tweede huis in Marrakesh. Hij vertelt twee anekdotes. Op straat ondervond hij weer eens hoe sterk de sociale controle in Marokko is. Een jongetje dat op zijn fiets een oude vrouw aanreed werd door voorbijgangers tot de orde geroepen. Hij moest haar in het openbaar zijn excuses aanbieden, dat deed hij gedwee met een kus op haar voorhoofd. Er zijn in Marokko veel meer boefjes dan hier, zegt Spangenberg, maar ze halen het daar niet in hun hoofd overlast te veroorzaken.

Daarna vertelt hij over een ontmoeting met een groepje mannen in een dorpje buiten Marrakesh. Een van de mannen zei een Nederlands woord te kennen: `kin-der-bij-slag'. De rest van de groep barstte daarop in vet lachen uit. Voor zijn acht kinderen ontving hij ieder kwartaal geld uit Nederland, verduidelijkte de man.

Spangenberg (56) is socioloog. Hij werkte negen jaar als universitair docent en richtte in 1984 marktonderzoekbureau Motivaction op. Zijn bedrijf telt inmiddels 140 medewerkers en verricht voor een breed scala van bedrijven, overheden en instellingen sociaal-wetenschappelijk onderzoek. Met steun van F. van Lanschot Bankiers deed Spangenberg onlangs onderzoek naar de 1,6 miljoen niet-westerse allochtonen in Nederland, een onderwerp dat de socioloog al lang ter harte gaat. Drie jaar geleden schreef hij samen met een collega het boek Nieuwe Nederlanders, waarin hij wijst op de steeds belangrijker wordende positie van de allochtonen.

Uit zijn recente onderzoek blijkt dat veel ondernemers zich afsluiten voor de verkleurende samenleving. Bijna veertig procent van de kleine en middelgrote bedrijven heeft geen niet-westerse allochtonen in dienst. Eenderde heeft slechte ervaringen met allochtonen, eenzelfde percentage prefereert Oost-Europeanen, en een meerderheid vindt dat allochtonen onvoldoende Nederlands spreken. Op het gebied van integratie is in het bedrijfsleven nog heel wat te doen, concludeert Spangenberg. ,,Zeggen dat je alleen met blanke Nederlanders wilt werken is out of the question. Dat is ook nergens voor nodig.''

Het onderzoek richtte zich met opzet op het midden- en kleinbedrijf, volgens Spangenberg ,,de ruggengraat van onze economie''. Grotere bedrijven hebben vaak al allochtonen in dienst, de helft van de kleine bedrijven (tot 50 werknemers) helemaal niet. Voor de integratie van minderheden zijn die kleine bedrijven juist enorm belangrijk, zegt Spangenberg. ,,Bij een grootwinkelbedrijf is de afstand tot werknemers doorgaans veel groter dan bij kleine bedrijven. Het directe contact met een baas is belangrijk. Niet-westerse allochtonen zijn veel gevoeliger voor hiërarchie. Een werkgever is een rolmodel, een personeelschef niet zo snel. En voor de werkgevers en het autochtone personeel is het directe contact ook goed, zo raak je vertrouwd met elkaar. Vergelijk het met de komst van vrouwen in het bedrijfsleven, dat ging in het begin ook moeizaam.''

En hoe overtuig je ondernemers die proberen allochtonen buiten de deur te houden? ,,Vooroordelen kun je alleen met kennis bestrijden. Met feitelijke informatie kun je voorkomen dat één beroerde ervaring met een allochtoon onmiddellijk wordt veralgemeniseerd. Met die voorlichting zijn we enorm tekortgeschoten.''

Witte managers

Spangenberg wilde al jaren onderzoek doen naar de integratie van allochtonen in het bedrijfsleven. Het Sociaal Cultureel Planbureau meed het onderwerp volgens hem en ook bij zijn opdrachtgevers liepen zijn voorstellen aanvankelijk stuk op politieke correctheid. ,,Overtuig een stel witte managers maar eens van de urgentie van dit onderwerp. Zij merken in hun directe omgeving niks van het verkleuren van de beroepsbevolking. Zij zien hooguit de donkere vakkenvullers bij Albert Heijn.''

In de linkse kringen waarin hij zelf verkeerde was het integratievraagstuk decennialang een taboe-onderwerp. ,,Voor zielige mensen moest je opkomen. Ach die boef, zeiden we, die heeft een moeilijke jeugd gehad. Die moet je een huis geven en een uitkering. We hebben niet goed opgelet en de boel laten versloffen. Dát is de Nederlandse gemeenschap zeer aan te rekenen.

,,De Turken en Marokkanen die hiernaartoe kwamen waren merendeels afkomstig uit de meest onderontwikkelde gebieden van hun land. Veelal mensen zonder intellectueel kader, zeer traditioneel ingesteld en cultureel introvert. We hebben niet aangegeven hoe ze konden integreren. Ook vroegen we ons niet af of ze hier zouden blijven. De eerste golf migranten, de Spanjaarden en Italianen, keerde na verloop van tijd terug. De Marokkanen en Turken die vervolgens kwamen werden gestimuleerd hier te blijven. Maar over de consequenties van maatregelen als gezinshereniging dachten we niet goed na. Gezinnen laten overkomen, dat doe je toch niet voor drie of vier jaar? Daar hadden we veel eerder over in dialoog gemoeten.''

Het gebrek aan wat hij scenariodenken noemt, is volgens Spangenberg niet zonder gevolgen gebleven. ,,Als je ongeletterde mensen van het Marokkaanse platteland naar een westerse stad overbrengt, worden ze in reactie introvert. Die gaan hun eigen culturele identiteit versterken. De meeste Amsterdamse Marokkanen zijn cultureel sterk achtergebleven vergeleken met de Marokkanen die ik in Marokko zie. Je ziet daar ook veel minder hoofddoekjes. De Marokkaanse steden zijn beslist wereldser dan Amsterdam-West.''

Het duurt nog zeker een generatie voor daar echt verbetering in komt, verwacht Spangenberg. ,,De eerste generatie Marokkanen en Turken is twintig, dertig jaar geleden naar Nederland gekomen om geld te verdienen. Vader doet handwerk en kent alleen de weg naar de fabriek, het theehuis en de moskee. Moeder is altijd thuis, staat in de keuken. Met een schotelantenne kijken ze alleen naar de eigen televisie. Hoe moet je als kind uit zo'n huishouden, waar niet wordt geleerd, geen sprake is van intellectuele verrijking, waar vaak door werkloosheid tijd geen rol speelt, nu leren wat westerse werkdiscipline waard is? De tweede generatie is nooit opgevoed met de gedachte dat ze later een functie moet vervullen in een westerse maatschappij. Heel begrijpelijk allemaal. Wat konden die vaders en moeders hun kinderen aan socialisatie meegeven? De koran, ramadan, hoofddoekjes – niet de nieuwsgierigheid om te leren en de urgentie om te presteren. Slechts kleine groepjes wisten zich aan dat patroon te ontworstelen.''

Huisje, boompje, beestje

Het heeft geen zin om met terugwerkende kracht zwartepieten uit te delen, zegt Spangenberg. Dat levert alleen maar emotionele discussies op. De problemen bespreekbaar maken door feiten te verzamelen, dat is het eerste wat moet gebeuren. ,,Wat zijn de wenselijke scenario's? Het belangrijkste is dat jonge nieuwe Nederlanders aan het werk komen. Uit de vele onderzoeken die wij hebben uitgevoerd weet ik dat allochtone jongeren graag zo snel mogelijk een gezin stichten – huisje, boompje, beestje. Dat kan alleen maar als ze goed integreren, dus via werk, niet via uitkeringen. Dit is een verantwoordelijkheid van bedrijfsleven en overheid gezamenlijk.''

Vrijblijvende uitkeringen, een beleid zonder prikkels, hij noemt het heilloos. ,,We zijn te weinig hard, we hebben het nooit kunnen opbrengen om meer discipline te eisen. Dat is de enige weg. Voorbeelden? Neem de problemen met Antilliaanse jongeren. Nog steeds komen er jongens naar Nederland die met zichzelf overhoop liggen. Ik heb het zo vaak gezien: jonge jongens uit Curaçao, zonder opleiding, de taal niet machtig. Werk vinden ze niet en dus krijgen ze een uitkering. Wat heeft zo'n jongen daar nu aan? Niks, helemaal niks. En dan de politieke discussie. Als iemand voorstelt om Antilliaanse jongeren die zich misdragen terug te sturen, zijn er meteen politieke partijen die over mensenrechten beginnen. Door problemen met de mantel der liefde te bedekken woekeren ze voort.''

De ziektewet, de bijstand, soms ook de WAO – voor jongeren zijn het, uitzonderingen daargelaten, luimakende terugvalsystemen, zegt Spangenberg. ,,Asielzoekers kregen in opvangcentra precies uitgecijferd hoe ze een uitkering moesten aanvragen. Hun werd niet uitgelegd hoe ze met hun talenten geld konden verdienen. Of verplaats je eens in een Marokkaanse of Turkse jongen van 22. Voor het miniumloon kan hij een baan krijgen waar hij vroeg voor zijn bed uit moet en met witte collega's die hem aankijken met een houding van `wat moet jij hier'. Als zo'n jongen wegblijft, krijgt hij een uitkering die maar weinig minder oplevert. Dan is hij vrij. Waarom zou hij dan nog?''

,,Als je als jongere geen uitkering meer krijgt, moet je wel werk vinden. Ik ben helemaal niet bang dat dat stukloopt op een weigerachtige houding van werkgevers. Sommige sectoren, zoals de beveiliging, zitten dringend verlegen om mensen. Ook zijn er genoeg werkgevers die zitten te wachten op gemotiveerde werknemers. Waar een wil is, is echt een weg. Kijk naar de illegale Marokkaanse immigranten in Spanje. Die redden zich uitstekend zonder uitkering, die bouwen in stilte wat op. Jongeren moeten niet te kieskeurig zijn. Het begrip `passende arbeid' is onverstandig.''

Het huidige stelsel is niet afgestemd op de hedendaagse verhoudingen, zegt de socioloog, die zich nog steeds `een progressief' noemt. ,,Mensen in behoeftige omstandigheden moeten beter geholpen worden dan nu gebeurt. Maar anders dan veel leeftijdgenoten pleit ik voor sociale wijzigingen. Uit diverse van onze onderzoeken blijkt trouwens dat veel werkende jongeren het niet pikken dat leeftijdsgenoten lui zijn, niet werken en een uitkering genieten. Voor gezonde jongens van 22 zijn onze sociale voorzieningen killing. Daarmee ruïneren we carrières. De uitkeringen zijn onbevredigend. Ze werken zwartwerken in de hand en worden niet gebruikt om cursussen te doen. Bovendien is het geld van de uitkering meestal niet genoeg, want vrije tijd is duur. Van alle kanten is het verkeerd. Onze jongeren hebben beter verdiend. En dan doel ik ook op kansarme autochtone jongeren, want voor hen geldt vrijwel hetzelfde als voor allochtonen.''

Een week na het eerste gesprek is bekend dat Mohammed B. een uitkering had. Met het vrijwilligerswerk in een wijkcentrum was hij gestopt. ,,Dit bevestigt mijn stelling'', reageert Spangenberg op die nieuwe feiten. ,,Een jongen van 26, recht van lijf en leden, die moet gewoon werken. Op die leeftijd ben je vol energie, moet je bouwen aan je toekomst. Met een uitkering zit je in een uitzichtloze situatie. Je bent een loser, je hebt geen status. De kans bestaat dat je dan elders compensatie zoekt. In de steden hebben we nu grote groepen werkloze allochtone jongens. Zo'n situatie betekent een voedingsbodem voor negativisme, en compensatief gedrag dat kan leiden tot moslimfundamentalisme. Kijk naar de kansarme buurten in Casablanca of Algiers. Daar vind je de broeinesten waar de islam boven de wet wordt gesteld. Mohammed B. is een drop-out die zich dankzij een uitkering de luxe van zijn radicalisme kon permitteren.''