Jihad

Hasna El Maroudi (19) en haar moeder voelen zich niet langer veilig. De bekorte jongerencolumn van Spunk.

Het nieuws op tv gaat langzaam voorbij. Ik kijk maar ik zie het niet. De radio produceert geluidsgolven die ik niet kan omzetten tot woorden of zinnen. Het is me te veel. Er is slechts één zinnetje, één beeld dat zich in mijn hoofd herhaalt. Van Aartsen kijkt streng en met een blik vol zogenaamde leiderschap en zegt: ,,Het is Jihad in Nederland.''

Jihad. Ik weet dat menig Nederlander rilt bij het horen van dit afschuwelijke woord. Er was sprake van Jihad in Irak, in Afghanistan, er was zelfs sprake van Jihad in Amerika. Maar Nederland was gevrijwaard van dit enge en indringende woord. Nu is het helaas zo ver. Moslims worden aangevallen door niet-moslims die hun heilige strijd voeren. De heilige strijd tégen de islam.

Zo werd een islamitische vrouw in Dordrecht in de bus uitgescholden en geslagen door een Nederlandse man. In Huizen en Breda zijn moskeeën in brand gestoken. In Rotterdam werd een moskee beplakt met pamfletten waar beledigende leuzen opstonden. In Amsterdam is een islamitische vrouw met een stok neergeslagen. In Eindhoven is een bomaanslag gepleegd op een islamitische basisschool. De site Maghreb.nl krijgt met regelmaat dreigbrieven.

Het verhaal dat mij doet beven van angst is het verhaal van een negenjarige jongen. Hij werd allereerst ontvoerd en vervolgens gedrogeerd teruggebracht naar zijn ouders met een dreigbrief a la Mohammed B.: ,,De volgende keer loopt het erger af.''

Ik ben bang. Doodsbang. Het angstzweet breekt me uit wanneer ik over straat loop. Herkennen ze mij als zijnde Marokkaan? Herkennen ze mij als zijnde moslim? Ik zie de blikken van mensen. Boze mensen, geïrriteerde mensen. Mensen die suf voor zich uitstaren. Ik zie een skater een jointje roken. Een skinhead loopt mijn richting op en ik spreek mezelf toe: ,,Niet generaliseren, Hasna. Hij is gewoon een mens. Net als ik.'' Wanneer hij mij nadert, spuugt hij vlak voor mijn neus op de grond en trekt een eng gezicht naar me. Geschrokken geef ik een gilletje en loop gauw door.

Mijn moeder is bang. Doodsbang. Het angstzweet breekt haar uit wanneer ze op straat loopt. Ze herkennen haar als zijnde Marokkaan. Ze herkennen haar als zijnde moslim. Ze voelt de blikken van mensen. Boze mensen, geïrriteerde mensen. Iedereen lijkt geïnteresseerd in haar vertoning. Een hoofddoek en een djellaba. Mensen vragen zich af of ze een onderdrukte vrouw is of een extremistische moslim die neigt naar terrorisme? Dat zijn immers de enige twee categorieën waarin je moslimvrouwen kunt onderverdelen. En onderverdelen in categorieën doen wij in Nederland zo graag.

Mijn moeder voelt zich niet meer veilig. Ze is niet meer veilig. In het land waar zij ooit hoopte haar kinderen een goede, stabiele en vooral veilige toekomst te kunnen bieden, is ze niet meer welkom. Misschien is teruggaan dan toch de oplossing.

Mensen die Nederland vol vinden roepen vol afschuw tegen alles wat niet Nederlands is dat het terug moet gaan naar waar het ooit vandaan kwam. Waar ik ooit vandaan kwam is Rotterdam-Zuid en daar zit ik nog steeds. Teruggaan naar Marokko is er voor mij niet bij, omdat ik voor de Marokkanen daar net zo Nederlands ben als dat ik voor Nederlanders hier Marokkaans ben.

Ondertussen volg ik zelfverdedigingslessen en loop ik met pepperspray op zak. Is er sprake van een dramatisering? Ik geloof het niet. Er is oorlog in Nederland. De kracht van het woord heeft zijn kracht verloren. De discussies zijn ten einde. Er heerst woede aan alle kanten.