In de spiraal van het pessimisme

Goed nieuws over Nederland is dezer dagen ver te zoeken, maar op één front gaat het voorzichtig beter. De economie is over het derde kwartaal van dit jaar met 1,4 procent gegroeid. Daarmee wordt de stijgende lijn van dit jaar voortgezet, en dat is meer dan welkom na twee economische rampjaren achtereen. Veel is het nog niet in vergelijking met de 2,25 procent groei die op de lange termijn gangbaar is. Maar de trend omhoog is er. Het gaat er nu om deze vast te houden. Tot nu toe is de hervonden welvaartsgroei vrijwel geheel te danken aan de uitvoer. Dat is in deze fase gebruikelijk, maar kan niet blijven duren. De uitgaven van gezinnen en de investeringen moeten de estafettestok overnemen. Dat is een delicaat proces, dat op dit moment gevaar loopt.

Wie de gegevens over de economie van kwartaal op kwartaal onder de loep neemt, ziet dat de consumentenbestedingen in het afgelopen kwartaal niet zijn toegenomen, maar zijn gekrompen. Dat geldt ook voor de bedrijfsinvesteringen. De enige factor naast de export die er voor zorgde dat er nog van enige economische groei sprake was, was voorraadvorming. Die voorraden zijn toegenomen juist omdat het bedrijfsleven zich voorbereidde op een stijging van de vraag, die zich vervolgens niet voordeed. Dat is de geflatteerde werkelijkheid achter de ogenschijnlijk gunstige cijfers. Als op die voorraden wordt ingeteerd, ziet het huidige vierde kwartaal er minder goed uit.

De vraag is waarom de burger nog steeds liever spaart dan spendeert. De werkloosheid is licht aan het dalen. Daar kan het niet aan liggen. De inkomensgroei is door loonmatiging mager, maar niet gering genoeg om een dalend uitgavenpatroon te verklaren. De sleutel ligt bij de hogere lasten, die door overheidsbezuinigingen druppelsgewijs de koopkracht aantasten. Veel belangrijker nog is dat het vertrouwen van consumenten ongewoon laag is. Het land heeft een herfst achter de rug waarin de bevolking werd geconfronteerd met een lawine aan kabinetsplannen over de sociale zekerheid die de toekomst stuk voor stuk onzekerder maken.

Na de arbeidsonrust is weliswaar tussen regering, werkgevers en werknemers een sociaal akkoord gesloten waarin de scherpste kantjes van de plannen zijn afgehaald. Maar nog steeds is het kabinet er niet in geslaagd om het beleid samenhangend te verkopen. De overmatige somberheid die de ploeg van Balkenende uitdroeg om de noodzaak van de plannen te onderstrepen, heeft averechts gewerkt. Beter was het geweest te schetsen hoe de plannen leiden tot een herwonnen dynamiek, die de welvaart straks ten goede komt. Bang maken is één manier om te motiveren. Vertrouwen geven is beter. Dat geldt des te meer in tijden van maatschappelijke onrust, zoals nu. Hoewel eenmalige gebeurtenissen, zoals de moord op Theo van Gogh, zelden een duurzaam effect hebben op het consumentengedrag, heeft langdurige onrust dat wel. Een onzeker kabinet maakt dat erger. Het is begrijpelijk dat de bewindslieden zich geschokt tonen door de gebeurtenissen, maar juist van hen wordt vastberadenheid gevraagd.

Nu het consumentenvertrouwen blijft haperen, is zo'n opstelling niet alleen in maatschappelijk maar ook in economisch opzicht wenselijk. Zeker omdat de beeldvorming van Nederland in het buitenland broos is. Terecht of niet, van een succesvolle poldereconomie is Nederland afgezakt naar een tobbende middenmoter met de laagste groeicijfers van de Europese Unie. Bedrijven investeren niet alleen op basis van doorwrochte analyse, maar ook simpelweg op hun intuïtie. Als Nederland slecht aanvoelt, heeft dat zijn prijs.

Welvaartsgroei is geen panacee voor maatschappelijke problemen, maar het lost wel veel op. Herstel van het geloof in de toekomst bij de burger en het bedrijfsleven is juist in deze kwetsbare fase van de conjunctuur van het grootste belang. Want vertrouwen komt te voet, en gaat te paard.