In 1572 ontsnapte ster bevestigt theorie van dubbelster-supernova's

In het sterrenbeeld Cassiopeia is de ster ontdekt die overbleef na de supernova die hier in het jaar 1572 werd waargenomen (Nature, 28 okt). Er verscheen een lichtpunt aan de hemel dat even helder werd als Venus en vier weken lang zelfs overdag was te zien. Daarna begon het lichtpunt uit te doven, om ruim een jaar later geheel te verdwijnen. De geleerden bleven in opperste verbazing achter, omdat toen nog werd gedacht dat de sterren onveranderlijk waren. Pas veel later zouden astronomen erachter komen dat het niet om een `nieuwe' ster ging, maar om de explosie van een heel lichtzwakke ster die altijd al op die plaats aan de hemel had gestaan.

Op de positie van deze supernova is nu een uitdijende gasring te zien: het restant van de geëxplodeerde ster. Uit de eigenschappen van deze ring hebben astronomen afgeleid dat SN 1572 een dubbelster moet zijn geweest, waarvan de ene component een gewone ster is en de andere een witte dwerg: het compacte overblijfsel van zo'n gewone ster. Als de eerste aan het einde van zijn leven gaat opzwellen, ontstaat er een gasstroom naar de witte dwerg. Die komt op den duur onder zo'n hoge druk te staan dat in zijn inwendige kernfusie op gang komt, waardoor de ster met een waterstofbom-achtige explosie uiteenspat.

De andere component zou deze explosie moeten kunnen overleven, maar zou door het verlies van `houvast' worden weggeslingerd. Een internationale groep van astronomen heeft deze weggeslingerde ster nu eindelijk weten te vinden. Zij hebben daartoe jarenlang met grote telescopen een gebiedje in het centrum van de explosie afgezocht. Uiteindelijk werd daar een ster gevonden die met een snelheid van ruim 130 kilometer per seconde van het centrum van de explosie vandaan beweegt: driemaal zo snel als de andere sterren in dat gebied. Het is bovendien een gewone ster op gevorderde leeftijd, precies zoals de theorie voorspelt. Volgens Pilar Ruiz-Lapuente en haar collega's is de kans slechts 0,3 procent dat het hier om toeval gaat.

De ontdekking levert het eerste onafhankelijke bewijs dat dit type supernova inderdaad plaatsvindt bij dubbelsterren. Een ander soort supernova treedt op bij zware, alleenstaande sterren. Die worden aan het einde van hun leven onstabiel en storten ineen, hun buitendelen de ruimte inblazend. Het belang van de dubbelster-supernova's is dat zij altijd vrijwel dezelfde hoeveelheid energie produceren. Daardoor kunnen zij als `standaardkaarsen' worden gebruikt voor het meten van afstanden van verre sterrenstelsels en het bepalen van het tempo van de uitdijing van het heelal.