Het waren niet alleen messteken

Een ruime meerderheid van de Nederlanders is ervan overtuigd dat wat op de ochtend van 2 november in een vredige Amsterdamse straat is gebeurd, de tweede politieke moord in hun recente verleden is. De gewelddadige dood van filmer, acteur en columnist Theo van Gogh, die is gevallen door kogels en messteken van een jonge Nederlander van Marokkaanse afkomst, is vooral – tweeëneenhalf jaar na die van Pim Fortuyn – het teken van een diepgaande verandering in dit koninkrijk, dat zo dicht bij ons ligt, maar ook zo ver weg, als je bedenkt hoe weinig wij ervan weten.

Land van vrede, tolerantie, integratie – `gidsland'? Dit portret bevat evenveel waarheid als verdichtsel. Zeker, consensus blijft de grondregel van een politiek en sociaal stelsel dat in de eerste plaats op de dialoog berust. Maar het vertrouwen van de Nederlanders in hun politieke leiders neemt af en bij de Europese verkiezingen in juni behoorde Nederland tot een van de 25 lidlanden met de laagste opkomst.

Het is bovenal het land waar in 2002 binnen enkele maanden een populistische beweging, die uitsluitend berustte op het redenaarstalent en het media-imago van haar leider – de radde prater en beeldenstormer Pim Fortuyn zich tot tweede politieke partij van het land heeft opgewerkt.

Zonder twijfel heeft de verdwijning van die volkstribuun, die is gedood door een visionair, de mensen het idee kunnen geven dat de onverhoedse opkomst van zijn partij niet meer was dan een koortsaanval, een pukkel op het gave gelaat van een solide democratie. Daarmee gaat men echter voorbij aan het feit dat de boodschap van Fortuyn de vonk in het kruitvat is geweest, waarmee het sinds lang beknelde woord de vrijheid herkreeg – rancuneus, heftig, demagogisch. En zeer schokkend voor de bestuurders, die gewend waren aan een hoffelijk debat zonder enige provocatie. Via de televisie had Pim Fortuyn ruw afgerekend met de vermeende communis opinio over de oorzaken van de – in sommige stadswijken wijdverbreide – onveiligheid, over de immigratie, de islam en het drugsbeleid.

De populistische woordenstroom van de man uit Rotterdam, die een groot deel van het publiek in zijn ban sloeg, heeft sporen nagelaten in het openbare debat.

De huidige premier, de christendemocraat Jan Peter Balkenende, heeft hem vertaald in meer gepolijste voorstellen, herschikt onder de kop `normen en waarden'. Het gaat om een reeks ideeën met de pretentie een samenleving er bovenop te helpen die, volgens de initiatiefnemers van dit project, te zeer is beïnvloed door al te vrijzinnige opvattingen, aantasting van de ideologische `zuilen' die haar structuur gaven, wijdverbreide vulgariteit en een teugelloosheid die in de hand zou zijn gewerkt door het `drugsbeleid', waarop Jacques Chirac en andere Europese leiders zoveel kritiek hebben geleverd.

Aanvankelijk had Balkenende ook een terugkeer naar solidariteit bepleit in een samenleving die wordt gekenmerkt door uitgesproken individualisme; hij had een `cultuur van het openbaar beleid' willen invoeren, of het debat over euthanasie of het homohuwelijk weer op gang willen brengen. Die plannen zijn sinds lang ter ziele.

Nederland heeft daarentegen wel zijn toelatings- en immigratiebeleid verhard, huwelijken tussen Nederlanders en buitenlanders veel moeilijker gemaakt, en ook ruw de cruciale kwestie van de integratie op de agenda gezet, waarbij het debat zich heeft toegespitst op de radicale islam – een zaak die de Haagse ambtenaren tot nu toe maar weinig had beziggehouden, overigens zeer ten nadele van sommige van hun buren, die zich stoorden aan die schandalige nonchalance.

,,Nederland is vol'' – zo heeft Pim Fortuyn een keer zijn kijk op het probleem verwoord, het probleem van een land met 16 miljoen inwoners, onder wie 900.000 moslims. Voor wie het vergeten was: die formule leek gewettigd door het optreden van de traditionele politieke wereld, maar zonder dat enige remedie werd voorgesteld voor een soms toch wel moeilijk samenleven. Toen de Nederlandse leiders zonder meer overstapten van de hand over het hart op de harde aanpak, hebben zij er niet aan gedacht dat je zoiets wel moet uitleggen, met als gevolg dat de betrekkingen tussen de Nederlanders en de mensen die met een politiek correcte term `allochtonen' worden genoemd, zijn verhard.

Deze gespannen situatie is, net als elders, versterkt door een `11-september-effect'. De Nederlandse media hebben de gapende leemtes in de antiterrorismewetgeving ontdekt, evenals de activiteiten van bepaalde fundamentalistische moskeeën en het avontuur van een paar jongeren in het Tsjetsjeense netwerk. Later dan andere landen heeft Nederland bemerkt dat sommige gemarginaliseerde jongeren in een islamistisch engagement een uitweg zagen voor hun frustraties, en een middel om een samenleving te `straffen' die, volgens hen, hun te weinig ruimte biedt. Geruchten over aanslagen hebben de afgelopen weken het plaatje compleet gemaakt.

In die context moeten de scheldkanonnades van Theo van Gogh worden gezien – een begaafde onruststoker en iconoclast, die de overtuiging huldigde dat geen woord mag worden gesmoord, ongeacht of het de vrouwen, joden, moslims of de politici op de korrel neemt. Bij zijn onderzoeken naar de dood van Fortuyn, naar buitenlandse misdadigersbendes of naar het lot dat volgens bepaalde islamitische opvattingen voor echtgenotes en dochters is weggelegd, beriep deze scheppende geest zich op de geschiedenis van zijn land als toevluchtsoord, als land van de vrijheid en de cultuur, om alles wat hem niet beviel te benoemen met woorden die heel wat Franse oren zouden choqueren. Hij noemde zich trouwens een aanhanger van de `functionele belediging'.

Omdat alle overheidsfunctionarissen en miljoenen Nederlanders nog altijd willen geloven in die vrijheid, zonder andere grenzen dan die welke de wet stelt, hebben zij onmiddellijk, zonder er ook maar enige verontschuldiging voor te zoeken, de daad veroordeeld van een jongeman van wie niet kan worden uitgesloten dat hij door duistere profeten is gestuurd. Nog op de avond van de moord is er gedemonstreerd om aan te geven dat iedere religie zich moet onderwerpen aan kritiek en om te zeggen dat een democratie nooit verzachtende omstandigheden zal kunnen aanvoeren voor een daad zoals in Amsterdam is gepleegd. Hun kreten hebben die van enkele militanten van extreem-rechts, die tot lynchen opriepen, overstemd.

Nu moeten wij afwachten of Nederland, dat ineens op het scherp van de snede lijkt te balanceren, een confrontatie tussen zijn diverse gemeenschappen zal weten te voorkomen. Om dat te bereiken, zullen de leiders hun stem moeten verheffen en zich met krachtige en positieve boodschappen tot iedereen moeten richten. Als zij dat eerder hadden gedaan, zouden de uitspraken van Theo van Gogh misschien beter begrepen zijn, en hun juiste en noodzakelijke plaats hebben gekregen.

Jean-Pierre Stroobants is correspondent van Le Monde voor de Benelux. Dit artikel verscheen op 9 november.