Het mankeert Bank en De Rooy aan lef

Nederland is een canon rijker. ,,Iedere tijd ontwerpt een eigen versie van het verleden'', schrijven Jan Bank en Piet de Rooy. Hun canon zou voor continuïteit tussen verleden en heden kunnen zorgen en dat zou het openbaar debat ten goede komen. Maar de auteurs zijn niet ambitieus genoeg geweest. Niet alleen in de omvang van de canon, maar vooral in de verantwoording ervan. Op drie fronten mankeert het hun nog aan lef.

Bank en de Rooy schenken te weinig aandacht aan de context waarin zij hun canon hebben geschreven. Ze produceren die op het moment dat veel autochtone Nederlanders weinig houvast vinden om hun culturele eigenaardigheden te rechtvaardigen, en veronderstellen dat het verleden wellicht uitkomst kan bieden. De opkomst van historisch besef is een teken van hun maatschappelijk dwalen. Het antwoord op de vraag `wie zijn we?' is niet zo onschuldig als het lijkt. Er zijn belangen mee gemoeid.

De aandacht voor het verleden heeft zelfs een directe, politieke lading. SP-voorman Jan Marijnissen is bekend voorstander van een museum voor de vaderlandse geschiedenis – een gebouw waarbinnen een canon gestalte krijgt. Marijnissen heeft zeker nobele intenties, maar ook een politiek belang. Linkse partijen hebben het moeilijk met de rechtse agenda rond de inburgering van allochtonen. Een pleidooi voor een museum is een ongevaarlijke bijdrage aan het integratiedebat. Want wie kan daar nou niet voor zijn? Met zo'n onschuldige instelling associeert iedereen zich graag. Zo kan een linkse partij als de SP toch meedoen aan het debat, zonder hard en conservatief uit de hoek te komen.

Bank en De Rooy maken hier nauwelijks woorden aan vuil. Ze signaleren dat er sprake is van toenemend historisch besef, maar daar blijft het bij. Hun canon lijkt geen verband te hebben met de maatschappelijke en politieke discussie. Ze presenteren hun product alsof dat van tijdgeest is gespeend. Alsof ze `zomaar' wat criteria hebben gekozen om hun canon samen te stellen. En een beetje historicus krijgt dan argwaan. Want waarom zou deze tijd juist aan hún ontwerp van het verleden behoefte hebben?

Dit punt van bescheidenheid treft ook de tekst zelf. Een canon met autoriteit heeft een zekere onverholenheid. Het brengt de eigen uitgangspunten met overtuiging in het spel, zodat de lezer kan anticiperen op wat het verhaal hem wil zeggen, op wat er wordt onthuld en wat er wordt weggelaten. Welke waarheid wil de tekst boven tafel halen? Welke lijn wordt uitgezet? En wordt die in de interpretatie consequent gevolgd?

De filosofie en de letterkunde kunnen hier als voorbeeld dienen. Neem Bertrand Russells beruchte `Geschiedenis van de westerse filosofie'. Russell had openlijk dédain voor sommige denkers. En neem Knuvelders beroemde `Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden'. Hij schreef zijn werk ,,vanuit zijn persoonlijkheid en tal van andere `omstandigheden'''. Hun zoekrichting was duidelijk, hun toon vastberaden.

Bank en De Rooy zijn niet alleen summier in hun verantwoording, ze zijn ook niet resoluut over de lijn in de tekst. Dat blijkt bijvoorbeeld uit hun beschrijving van het overleg in 1982: ,,Sommigen noemen dit akkoord het begin van het poldermodel, terwijl anderen het mooier vinden dit te zien als uitvloeisel van een eeuwenoude traditie van `typisch Nederlands' overleg. Hoe dat ook zij, na verloop van tijd begint de economie weer te groeien.'' Zo'n weifelende opstelling zou voor een autoriteit als Russell ondenkbaar zijn; `hoe het ook zij' zou niet in zijn vocabulaire voorkomen.

Een laatste punt van terughoudendheid betreft de inzet van de canon. Die hoort kabaal te maken; die zet je niet te nederig in. Hij is van belang voor de discussie en de vooruitgang in het vak, omdat er kritiek wordt gewekt en gevraagd wordt te formuleren wat er toe doet. Een canon van niveau dwingt iets af: namelijk dat je je tot hem moet verhouden. Het siert de auteurs dat ze welwillend bereid zijn om in debat te gaan over wie en wat er in hun canon gerepresenteerd dient te worden. Maar ze geven nergens de begrenzingen van dit debat aan. Ze zeggen er niet bij dat een canon geen polderproduct is. Hun uitnodiging wekt de indruk dat het debat iedereen tevreden kan stellen. En dat is slechts schijn.

De meesters zijn dus wat te bescheiden geweest. Ze lijken last te hebben van de typisch Nederlandse neiging om de kop niet al te hoog boven het maaiveld uit te steken. Dat is jammer, want juist Bank en De Rooy zijn bij machte een prestigieus en riskant project op poten te zetten. Zonder lef kom je niet ver, heeft Erasmus, ook zo'n Grote Nederlander, geleerd. En dat is Bank en De Rooy van harte toegewenst.