Goed idee, zo'n canon. Maar...

`Sneue zielepieten' zijn het, de hoogleraren Jan Bank en Piet de Rooy, auteurs van `een canon van het Nederlands verleden' die op zaterdag 30 oktober verscheen in dit bijvoegsel. Erger: de profs zijn `star in hun denken, beschamend hardleers en kleinzielig onwillig'. Waarom? Omdat zij een beknopt Nederlands historisch overzicht hebben geschreven waarin vrouwen nagenoeg ontbreken. De benaming van de tien tijdvakken maakt deze blunder nóg pijnlijker: `tijd van jagers en boeren', `tijd van monniken en ridders'. Mannen die mannengeschiedenis schrijven – bah!

Tot zover één uit ruim honderd reacties die zijn binnengekomen na publicatie van het twee pagina's lange stuk dat verscheen onder de stellige kop `Wat iedereen móét weten van de vaderlandse geschiedenis'. De irritatie die uit deze ene reactie spreekt, is begrijpelijk. Wrevel is al snel gewekt, in een tekst waarin grote woorden vallen als `canon', die bovendien als verplichte kost wordt opgediend.

Was overmoed de drijfveer? Nee, zeker niet. Bank en De Rooy wilden reacties uitlokken. Een stevig debat onder historici is dringend gewenst. Want enerzijds mogen zij blij zijn dat hun vakgebied aan populariteit heeft gewonnen, getuige de opmerkelijk hoge oplagen van het ene na het andere kloeke historische boek, een druk bezochte `week van de geschiedenis' en een breed besproken verkiezing van de `grootste Nederlander aller tijden'. Maar anderzijds heerst nu al decennialang verwarring over inhoud en vorm van het geschiedenisonderwijs in Nederland.

Niemand verlangt terug naar het ouderwetse `jaartallen stampen'. Maar wat is ervoor in de plaats gekomen? Spraakverwarring over thematisch onderwijs, `maatschappijkritiese' wereldoriëntatie, aandacht voor slavernij door de eeuwen heen op alle continenten van deze planeet – maar geen idee of Hitler nu voor of na Napoleon kwam en nooit gehoord van Willem van Oranje als Nederlandse `founding father'.

Een commissie onder leiding van `canon-auteur' Piet de Rooy sprak in 2001 het verlossende woord: geen inzicht zonder overzicht – en omgekeerd. Simpel vertaald: zonder een fundament van chronologische feitenkennis blijft iedere behandeling van grote historische thema's (wereldgodsdiensten, kolonialisme, industrialisatie, enz.) volledig in de lucht hangen. Maar evenzogoed: feiten en feitjes zijn bloedeloos als ze niet worden gekoppeld aan brede stromingen en bewegingen.

Lof klonk voor deze oefening in gezond verstand, maar in de praktijk is de verwarring nog steeds niet voorbij. Op de Haagse agenda staat dezer dagen de herinrichting van de basisvorming (de eerste twee jaar) in het voortgezet onderwijs. De vakken aardrijkskunde en geschiedenis moeten straks samen het `leergebied mens en maatschappij' vormen. Hierbinnen mogen scholen dan zelf uitmaken hoeveel pleistoceen en hoeveel strijd om vrouwenkiesrecht ze aan hun leerlingen voorschotelen. Eindelijk meer vrijheid voor scholen. Maar wel binnen abstract geformuleerde Haagse krijtlijnen: het onderwijs in mens en maatschappij heeft als ,,doel leerlingen te stimuleren op informatie gebaseerde, beargumenteerde beslissingen te nemen als burgers van een cultureel diverse, democratische samenleving waarin onderlinge afhankelijkheden groot zijn''.

Daar is het weer, nieuwe ronde: het debat over geschiedenis op school. De canon van de hoogleraren Bank en De Rooy kan een rol spelen in deze discussie. Hun stuk is hierbij niet meer dan een schot voor de boeg. De gehoopte inhoudelijke kritiek is in ruime mate losgekomen, zowel in ruim honderd brieven en e-mails als in een debat in Het Prinsenhof in Delft op dinsdagavond 2 november.

Voornaamste punt van kritiek is dat de canon misschien iets té Nederlands is geweest, net te weinig oog had voor de internationale context. Juist nu `invloeden van buitenaf' zoveel maatschappelijke en politieke spanningen oproepen, is historische kennis van demografische ontwikkelingen, migratiestromen en religieuze twisten van essentieel belang. De canon laat zich op dit punt eenvoudig aanvullen. Zoals er ook een aparte canon zou moeten komen voor de Europese geschiedenis en de wereldgeschiedenis.

Kritiek op onderdelen valt eveneens ter harte te nemen. Johan van Oldenbarnevelt had niet mogen ontbreken. Waar waren Hugo de Groot, Spinoza en Christiaan Huygens? Begrippen als Middeleeuwen, humanisme of Verlichting hadden misschien moeten vallen. De emancipatiestrijd van het katholieke zuiden tegenover het dominerende protestantse noorden kwam er bekaaid van af. Als de `Bataafse mythe' zo nodig moest worden aangestipt, dan hadden toch ook de vrijheidsminnende Friezen wel iets meer aandacht verdiend? En, herstel, een foutje: de `tiende penning' was geen belastingverhoging van 10 procent maar een vroege vorm van BTW-heffing.

Kortom, deze eerste canon van het Nederlands verleden verdient een aangevulde tweede versie. Een mooi moment voor publicatie, waar en hoe dan ook, tekent zich af: de komende Boekenweek, in maart 2005, staat in het teken van de Nederlandse geschiedenis.

De canon is op A4-formaat (in pdf) te downloaden via www.nrc.nl/canon. Op de website www.anno.nl is de canon in geïllustreerde vorm te vinden.