Er is hoop

De pogingen tot brandstichting in Nederlandse moskeeën en de bomaanslag op een islamitische school in Eindhoven, die volgden op de moord op Theo van Gogh, die in een film de islam had aangevallen, zijn angstwekkende ontwikkelingen. De boodschap is onmiskenbaar: de islamofobie in Nederland, waarvan velen meenden dat ze met de nederlaag van de anti-islamitische LPF bij de verkiezingen van vorig jaar over haar hoogtepunt heen was, wint weer veld. De andere boodschap – of les – van de aanslagen is dat geweld alleen maar meer geweld oproept. De situatie begint uit de hand te lopen.

Er moet een dialoog op gang worden gebracht waarin politieke partijen, leidende personen uit de gemeenschap en religieuze figuren bijeenkomen om de gemoederen tot bedaren te brengen. Vooral moeten de angstgevoelens onder het publiek worden gesust, anders zal de polarisatie verder doorzetten, met nog meer geweld – dat de Nederlandse moslims het hardst zal treffen, want zij zijn in de minderheid. Gelukkig is bij de aanslagen van de afgelopen week niemand gedood. Maar als het geweld doorgaat, zullen er vroeg of laat slachtoffers vallen. Dat mag niet gebeuren. Allen hebben de plicht om de veiligheid van iedereen in het land, ongeacht zijn geloof, te waarborgen.

Hoe wijdverbreid de anti-islamitische stemming in Nederland is, valt onmogelijk te zeggen. Het land heeft een lange traditie van verdraagzaamheid en liberalisme, maar die reputatie slinkt snel, en de moord op Van Gogh – slechts tweeëneenhalf jaar na de soortgelijke moord op Pim Fortuyn, de politicus die tegen immigranten en moslims was – dreigt dit proces nog te versnellen. Voor de Nederlanders, een natie die zo verknocht is aan vrede en aan `leven en laten leven', zijn politieke moorden iets buitengewoon gruwelijks. Sinds de moord op de vader van de Nederlandse natie, Willem de Zwijger, meer dan 400 jaar geleden, heeft zoiets zich niet meer voorgedaan. Door de moord op Fortuyn kwam zijn anti-immigratiepartij bij de verkiezingen van 2002 uit het niets op de tweede plaats. Nu zegt een andere politicus, Geert Wilders, dat hij in de nasleep van de dood op Van Gogh een anti-immigratiepartij wil oprichten.

Dat is buitengewoon zorgwekkend. Zorgwekkender nog zijn de oproepen van islamitische radicalen om Wilders te onthoofden. De Nederlandse regering en islamitische organisaties moeten ingrijpen om dit gif te stuiten.

Gelukkig zijn er, voor wie het breder beziet, ook hoopgevende tekenen.

Ondanks de in heel Europa groeiende golf van stemmen die zich tegen immigranten en moslims keren, is dit werelddeel niet de kortzichtige xenofobe club waarvoor sommigen bevreesd zijn. Onlangs is in Macedonië een poging van nationalisten om met een referendum de islamitisch-Albanese inwoners hun nieuwe burgerrechten te ontnemen mislukt. In België is het extreem-rechtse Vlaams Blok, dat net als de Nederlandse LPF uitdrukkelijk tegen moslims ageerde, door de rechtbank als racistische partij verboden – wat overigens naar alle waarschijnlijkheid door een verandering van naam zal worden omzeild. Ook in Nederland heeft de rechter net laten zien dat hij aan de goede kant staat: ondanks de politieke ontwikkeling is zojuist de uitlevering – die door de Nederlandse regering werd gesteund – van een Koerdische vrouw verboden. Populistische politici mogen dan heulen met de massa, de instanties houden zich strikt aan fatsoenlijke regels. Dat geeft reden tot hoop.

(Verschenen 9 november)