Democratie is knap complex

Hoogleraar Micha de Winter hoopt kan democratische vorming voorkomt dat jongeren afglijden naar fundamentalisme.

Het is twee dagen na de moord op Theo van Gogh. Hoogleraar en pedagoog Micha de Winter van de Universiteit Utrecht geeft een masterclass over het democratisch gehalte van opvoeding en onderwijs voor leerkrachten en directies van vmbo-scholen.

Volgens De Winter is het van groot belang dat om in het licht van de gebeurtenissen van de afgelopen week, weer te gaan formuleren wat democratie betekent. Individualisme en fundamentalisme zijn de bedreigingen voor de democratie, zegt hij. ``We kunnen met democratische vorming voorkomen dat jongeren naar fundamentalisme afglijden. Door er geen aandacht aan te besteden zetten we de deur open voor deze ontwikkelingen.''

Hoe lastig dat is blijkt tijdens de discussie aan het eind van de masterclass. Er komt ter sprake wat scholen nu eigenlijk doen aan democratische vorming. De meeste aanwezigen hebben het gevoel daar in de school wel aandacht aan te besteden, maar al snel vervalt het gesprek in onderwijsjargon met termen als leerlingcontact en zelfsturing. Een rondgang langs vmbo-scholen leert vervolgens dat de moord op Van Gogh ook niet overal wordt aangegrepen voor een concrete discussie over democratische waarden (zie kader).

``Leerkrachten durven die discussie vaak niet aan en zijn bang voor de agressie'', zegt De Winter. Het is, meent hij, ook knap ingewikkeld om uit te leggen wat democratie nu eigenlijk is. ``We zijn op drijfzand terecht gekomen. We lopen liever met een bocht om het onderwerp heen. Is democratie vrijheid van meningsuiting? Het is de immer terugkerende discussie met moslimjongeren over de Tweede Wereldoorlog en joden. Moslimjongeren beroepen zich daarin op de vrijheid van meningsuiting. In dat opzicht is Theo van Gogh ook niet het goede voorbeeld van vrijheid van meningsuiting. Het is moslimjongeren moeilijk uit te leggen waarom Van Gogh wel van alles mag roepen en zij niet. Soms is democratie voor je mening uitkomen maar ook leren rekening houden met anderen Je kan niet alles roepen wat je maar wilt. Het is een kwetsbare balans.''

Daarbij gaat het volgens De Winter niet in de eerste plaats om de politieke democratie (verkiezingen etc.), maar om de manier van omgaan die aan dat stelsel ten grondslag ligt: het uitwisselen van argumenten en het afzien van geweld bijvoorbeeld. Pedagoog de Winter vaart met zijn pleidooi voor een democratisch pedagogisch reveil niet mee op de golven van verwarring van de afgelopen weken. Op verzoek van de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WRR) publiceerde hij hierover een maand geleden al een rapport.

professionals

De Winter ziet een generatie kinderen opgroeien waarvoor democratie niet vanzelfsprekend is. ``Democratie zit niet in de genen maar moet geleerd worden door professionals die dat goed kunnen overbrengen. We hebben uit angst normatief te zijn de opvoeding tot goed burgerschap decennia laten liggen. Een van de oorzaken is de voortschrijdende individualisering. Kinderen moeten mondige assertieve burgers worden die verantwoordelijk zijn voor hun eigen ontwikkeling. Maar mondig leidt vaak tot een grote mond en men is heel erg met zichzelf bezig. Door de individualisering erodeert de betrokkenheid bij de maatschappij. Daarnaast is fundamentalisme een bedreiging voor de democratie. Voor grote groepen mensen in onze samenleving is democratie niet vanzelfsprekend. Het is niet dat ze er tegen zijn maar ze hebben zelf geen ervaring met democratie. Hoe kunnen wij dan verwachten dat ze het automatisch overbrengen op hun kinderen? Hoe kunnen wij dan nu verwachten dat jongeren zoals sommige moslimjongeren dat plotseling ontwikkelen? Van wie en wanneer hadden ze dat kunnen leren als ook de scholen hun taak laten liggen?

``In Nederland is jarenlang de Tweede Wereldoorlog het kader geweest voor het denken rond democratie. Er was jarenlang het breed gedragen besef dat de democratie moeizaam bevochten was en het een groot goed was. Maar voor veel kinderen van nu is de Tweede Wereldoorlog zoiets als de Tachtigjarige Oorlog. Ver weg in de geschiedenisboekjes. Uit onderzoek van de politicoloog Henk Dekker van de Universiteit van Leiden naar wat kinderen in 24 verschillende landen over democratie weten, blijken Nederlandse kinderen vergeleken met die andere landen bedroevend weinig te weten. In landen als bijvoorbeeld Groot Brittanië is `civil education' al een aantal jaren een vak in het voortgezet onderwijs'', aldus de Winter.

grenzen

Volgens De Winter moet kinderen van de peuterspeelzaal tot aan de universiteit weer leren `om met elkaar verantwoordelijk te zijn'. ``Maar helaas verwijzen alle instanties rond jeugd naar elkaar en is niemand verantwoordelijk. Daarmee falen wij ook vanuit democratisch perspectief. Wat uit onderzoek bekend is, zowel onderzoek uit de Verenigde Staten als onderzoek onder jongeren in Nederland, dat jongeren vinden dat volwassenen geen grenzen stellen. Volwassenen zijn in de ogen van jongeren watjes. Van iedere puber is de `core business' nu eenmaal grenzen opzoeken. Jongeren geven aan dat met name het gebrek aan aandacht en controle van volwassenen ze het minst zint. Als je goed doorvraagt bij jongeren willen ze een ondersteunende opvoeding waarin eisen en grenzen worden gesteld en waarin de opvoeder uitlegt en een moreel voorbeeld is. Verbinding, zowel sociaal als emotioneel, zorgt ook voor betere maatschappelijke kansen en lichamelijk en psychisch welbevinden. In de criminologie wordt er zelfs vanuit gegaan dat binding een buffer is die kinderen ervan weerhoudt om de fout in te gaan. Er zal verbinding met de ouders gemaakt moeten worden. Ouders moeten gewezen worden op wat een goede opvoeding is. Het idee dat allochtone ouders geen interesse hebben in de school is niet waar. Dat hebben ze wel degelijk maar je moet ze er wel bij vragen. Sterker nog: je kan eisen dat ouders op school komen en daarin kan de school meer leiderschap tonen.

``Scholen waar kinderen worden betrokken bij de veiligheid van de school functioneren beter. In plaats van een deskundige in te huren die toch weer een camera adviseert, kan je het beter aan de kinderen vragen. Ik pleit niet voor de inspraak zoals die in jaren zestig en zeventig heeft bestaan maar voor verbinding met de leerlingen. Regels die door leerlingen worden opgesteld worden beter nageleefd dan de regels die door leerkrachten zijn opgesteld. Kinderen vinden regels namelijk belangrijk en zijn veelal strenger dan leerkrachten. Maar kinderen kunnen het niet alleen af. Kinderen hebben geen ingebouwde wil tot democratie. Daar zal je als leerkracht bovenop moeten zitten, het voorbeeld moeten geven en uitspraken nuanceren. Er moet ook een nieuw kader komen. De Tweede Wereldoorlog volstaat niet meer.''