Wij zijn allen olijven

Dampende schalen verse pasta, olijfolie die smaakt naar zonnestralen, familiebanden die heilig zijn en de wet die dat allerminst is: alle clichés over het zuiden van Italië zijn vertegenwoordigd in Le soleil des Scorta, de roman van Laurent Gaudé die deze week de Prix Goncourt kreeg. Die prijs bestaat uit slechts tien euro, maar zorgt meestal ook voor indrukwekkende verkoopcijfers. Niet dat Gaudé dat nodig had: al voor de uitreiking afgelopen maandag waren er bijna 100.000 exemplaren van zijn roman verkocht.

Dat kon ook bijna niet missen met deze saga over een Italiaanse familie, een familie die is voortgekomen uit `een misverstand' en die zich moet zien te wortelen in de onvruchtbare rotsgrond. Aan de oorsprong staat Rocco, de bastaardzoon van een bandiet en een oude vrijster, wiens avonturen een hoog gehalte aan struikroverromantiek hebben. Maar het verhaal begint pas echt met Rocco's twee zonen en zijn dochter Carmela. Hoe die proberen vrome christenen te zijn ondanks het destructieve temperament dat ze van hun voorvaderen hebben geërfd. Hoe ze de eer van hun moeders graf met hand en tand verdedigen, hoe ze hun geheimen koesteren en hun kinderen grootbrengen. Hoe ze in het zweet huns aanschijns het land bewerken of een tabakswinkel uit de grond stampen, zich afvragend wat het doel is van hun geploeter.

Gaudé heeft met zijn verhaal over de Scorta's willen vertellen wat de literatuur van oudsher vertelt: het lot van de mensheid die leeft, lijdt, sterft en vragen over de zin van dit alles stelt aan een zwijgende God. Dat Le soleil des Scorta niet kan boeien, heeft niet zozeer te maken met die vragen als wel met de antwoorden die Gaudé geeft. Bij monde van een oude pastoor bijvoorbeeld, wiens levensfilosofie bestaat uit een vergelijking tussen mensen en olijven: `Ze rijpen en daarna bederven ze. Maar de olijven volgen elkaar op tot in de eeuwigheid (..). Dus ja, de olijven zijn eeuwig. Net als de mensen. Dezelfde oneindige opvolging van leven en dood'.

Het defintieve antwoord op de vraag naar de zin van het menselijk streven komt aan het slot van de roman, waar een telg der Scorta's het doel van zijn leven gevonden heeft. Hij kijkt naar de jaarlijkse processie, omhelst zijn vrouw en zijn beeldschone dochter, kust nog eens het Madonna-medaillon om zijn nek dat hij van zijn oude moedertje gekregen heeft, en denkt: Zijn plaats was hier. Ja. Daar was geen twijfel over mogelijk. Zijn plaats was hier. Het kon niet anders. Hier voor deze tabakswinkel. Hij dacht nog eens aan de eeuwigheid van zijn gebaren, zijn gebeden, van zijn hoop en vond daar een diepe troost in'.

Niets ijdelheid en het najagen van wind: het menselijk bestaan blijkt wel degelijk zin te hebben en te schuilen in de familie, de kerk en het doorgeven van je waarden aan het nageslacht. Een conclusie waar je geen roman voor nodig hebt want waarvoor je ook gewoon bij de pastoor terecht kan. Wat blijft er dan over van Le soleil des Scorta? De Italiaanse sfeer, waarvoor de roman door de kritiek en de Goncourt-jury werd geprezen? Die ligt zo aan de oppervlakte van het verhaal dat je je afvraagt of Gaudé na afloop van het schrijven nog her en der een flinke scheut `couleur locale' aan zijn verhaal heeft toegevoegd, zoals George Sand naar eigen zeggen altijd deed. De beschrijvingen van olijfbomen `die meer vertroeteld worden dan de mensen', van duizendjarige liederen of van de gevulde aubergines van tante Maria kunnen het boek niet redden.

Ook de symboliek ligt er te dik bovenop om indruk te maken. De vluchtigheid van de sigaretten uit de tabakswinkel waaraan de Scorta's hun bestaan te danken hebben bijvoorbeeld. Alsof die niet al symbolisch genoeg was voor de ijdelheid van ieder menselijk streven, gaat de winkel zelf ook nog in rook op. En voor de zekerheid legt een van de Scorta's het ook nog even uit: `Al die verkochte sigaretten die niets zijn. Alleen wind en rook. (..). Dat is waar mijn leven op lijkt'.

Dat gevoel van vergeefsheid wordt in één episode uit het begin van het verhaal wel voelbaar en schrijnend, en dat is waar Carmela en haar twee broers op kosten van de kerk een enkele reis op de boot naar New York krijgen. Ze komen nooit verder dan Ellis Island, omdat Carmela een infectie heeft en wordt tegengehouden bij de medische controle. Die reis naar het niets ontroert meer dan alle gedroogde tomaten en zelfgemaakte orechiette bij elkaar.

Laurent Gaudé: Le soleil des Scorta. Actes Sud, 246 blz. €19,–

De vertaling verschijnt in 2005 bij uitgeverij De Geus.