Ten onder aan de dossiers

Hoeveel kun je weglaten uit een verhaal zonder het verhaal zelf te onttakelen? Het is een vraag die zich bij alle verhalen en romans van de gedreven Vlaamse schrijver Peter Terrin (1968) opdringt. Zijn verhalenbundel De code (1998) werd terecht geprezen om de kunst van het weglaten. In zijn eerste roman Kras (2001), over drie bejaarde mannen in een flat die zich wreken op een schoonmaakster, was deze aanpak minder succesvol. Wellicht met als gevolg dat hij in zijn derde boek, de roman Blanco (2003) niets aan de verbeelding van de lezer overliet. In Blanco laat de krankzinnig wordende weduwnaar van een door zinloos geweld omgekomen jonge vrouw zichzelf en zijn zoontje slachtoffer worden van zijn onbeheersbare angst voor de wereld. Welke wereld dat is, wordt met grote precisie geformuleerd: het is onze onveilige westerse samenleving, waarin onschuldige mensen op straat worden doodgetrapt of geschoten door idioten tegen wie we ons, zelfs met de modernste beveiligings- en communicatiemiddelen, niet effectief kunnen beschermen. Blanco was een adembenemend boek waar, ondanks de te voorspelbare afloop, een grote beklemming van uit ging.

Dat gevoel van beklemming probeert Terrin in Vrouwen en kinderen eerst opnieuw op te roepen, maar het lukt hem niet. In deze nieuwe roman waarin vijf mannen in drie weken tijd een productieband in een fabriekshal moeten demonteren laat hij, in een poging om Kafka te imiteren, alles weg wat nodig is om een verhaal leesbaar te maken. Van de hoofdpersoon, leider van het team dat de klus moet klaren, weten we alleen dat hij Karsten heet, in de twintig is en een vreemde taal heeft gestudeerd. Wat zijn moedertaal is, krijgen we niet te horen, uit welk land hij komt blijft ongewis en waar op de wereld de fabriek staat met de productieband is tot het einde toe een raadsel. Ook over de andere personages in de ploeg van Karsten wordt weinig meer onthuld dan hun voornamen. Er blijkt één ingenieur bij te zijn en drie arbeiders, ze komen uit diverse niet met name genoemde landen en moeten drie weken met elkaar doorbrengen in een armoedig hotel bij een afgelegen dorp, waar een niet functionerende telefoon hen van de rest van de wereld afsnijdt.

Waarschijnlijk wil Terrin duidelijk maken dat karakters, tijd, plaats en zelfs handelingen niet nodig zijn om een verhaal te vertellen. Wellicht heeft hij een tijdloos boek willen schrijven, maar onbedoeld zijn er talloze tijdsaanduidingen in de roman geslopen. Door het ontbreken van computers en mobiele telefoons valt in elk geval op te maken dat het verhaal zich niet in deze tijd afspeelt. Was dat wél zo geweest, dan zou de dramatische, afloop nog ongeloofwaardiger zijn dan nu al het geval is.

Het verhaal is simpel, maar door het ontbreken van spanning langdradig. Karsen, let op de eerste letter van zijn naam, is het spiegelbeeld van Josef K. uit Het proces van Kafka. Evenals K. wordt Karsten slachtoffer van de bureaucratie, maar wel van zijn eigen bureaucratie. Karsen is de vleesgeworden bureaucratie. Hij moet leiding geven aan mensen in een proces dat hij niet beheerst. Hij weet niets van techniek, heeft geen enkele ervaring met leidinggeven, kan niet improviseren en isoleert zich van de mannen die onder hem zijn geplaatst. Ook met de vijandige dorpsbewoners op wier medewerking hij vroeg of laat zal zijn aangewezen, maakt hij nauwelijks contact. Het enige wat hem bezig houdt is het contract waaronder hij werkt en de dossiers die hij ambtshalve moet doornemen. Die documenten bestudeert en interpreteert hij, gezeten achter een enorm bureau, eindeloos, terwijl zich intussen buiten hem om allerlei processen voltrekken die hem onvermijdelijk naar de ondergang voeren.

Terrins kunst van het weglaten is in Vrouwen en kinderen eerst (er komt in het hele boek trouwens maar één vrouw voor en geen enkel kind) tot een kunstje verworden, met als resultaat een kunstmatig verhaal. Het heeft mij moeite gekost deze roman uit te lezen, niet wegens een slechte stijl of compositie, maar omdat de inhoud geen enkel raakvlak heeft met welke werkelijkheid ook. Er is maar één, in krom Nederlands geschreven, passage die me bij zal blijven: ,,Een eerste dossier opengeslagen liet Karsten zich achterover in de gapende ruimte vallen, of hij op strandvakantie aan een boek begon. Plichtsgetrouw las hij elk woord dat hem onder ogen kwam. Maar waar het in hemelsnaam om draaide, begreep hij na een uur nog steeds niet.”

Vrouwen en kinderen eerst leest als Karstens dossiers waarin menselijke handelingen en drijfveren zijn teruggebracht tot ontmenselijkte formules en codes. Het is een onttakeld verhaal over onttakeling dat anders dan bij Kafka geen gevoel oproept van beklemming en vervreemding, maar van geeuwende verveling.

Peter Terrin: Vrouwen en kinderen eerst. De Arbeiderspers, 190 blz. €17,95