Om de muziek alleen

Nog zes weken en het Muziekgebouw aan het Amsterdamse IJ wordt opgeleverd. Wie met de wind in de haren langs de Oostelijke Handelskade fietst, ziet het gebouw al van verre liggen. Nieuw, leeg, enorm en mysterieus. Wat gaat er klinken in die nieuwe tempel van `de eigentijdse muziek'? Aan de Weesperzijde pakt het kantoorpersoneel van muziekcentrum De IJsbreker alvast de dozen in; zíj verhuizen al deze maand, net als jazzcentrum Het Bimhuis. In de jazzzaal die als zwarte kijkdoos uit het geheel steekt, beginnen de concerten in januari. Concerten in het Muziekgebouw zelf beginnen in mei. Maar verder is het Muziekgebouw vooralsnog vooral een centrum van onzekerheid, onduidelijkheid en – daaruit voortvloeiend – twist en teleurstelling.

Met het nieuwe Muziekgebouw (kosten: zestig miljoen euro, betaald door de gemeente Amsterdam) bezit de stad naast het Concertgebouw nu een tweede concertcentrum – de door bezunigingen nauwelijks meer voor concerten benutte Beurs van Berlage wijselijk buiten beschouwing gelaten. Het nieuwe gebouw geeft in de toekomst ongetwijfeld ook een nieuwe, positieve impuls aan de in opkomst zijnde buurt. Maar dat mag toch niet de belangrijkste taak van een concertzaal zijn. Het Muziekgebouw is er vooral omdat de gemeente Amsterdam gecharmeerd was van het idee van een centrum voor actuele muziek in brede zin: jazz, eigentijds `klassiek', pop én wereldmuziek. Alleen door muziek-van-nu in ruimste zin op te vatten, voorkom je een gettoachtige zaal, waarin de avantgarde-muziek weer terug bij af zou zijn: geïsoleerd, weg uit de gewone concertzaal.

Wat dreigt is feitelijk het omgekeerde probleem. Anders dan de Amsterdamse Kunstraad en de Raad voor Cultuur stellen, toont het tweede beleidsplan dat initiatiefnemer/artistiek leider van het Muziekgebouw Jan Wolff heeft opgesteld met een team van specialisten wel degelijk visie. De 20ste en 21ste eeuw staan in de programmering centraal, maar er is óók royaal de ruimte voor culturele verhuur. Lees: voor hele gewone concerten, met barokmuziek, romantische strijkkwartetten, pianorecitals, enzovoorts.

De raden verwijten Wolff nu gebrek aan visie en duidelijkheid. Zij noemen hem `bevlogen', maar de programmering van het Muziekgebouw moet onderscheidender worden, en de beheersopzet anders. De raden willen Wolff daartoe onder curatele stellen en stellen de benoeming van een `externe deskundige' als voorwaarde voor de toekenning van de 2,75 miljoen euro subsidie. Wolff is boos. Maar het ironische is dat de raden aan de ene kant, Wolff aan de andere kant, eigenlijk hetzelfde lijken te willen. Een bloeiend Muziekgebouw, dat meer is dan de som der delen. Een Muziekgebouw waarin de diversiteit van de bewoners/bespelers óók wordt ingezet voor samenwerkingsprojecten (`synergie'), opdat écht recht wordt gedaan aan het actuele muziekleven in de breedste zin. De komst van een tweede artistieke deskundige lijkt, hoewel onaanvaardbaar voor Wolff, onafwendbaar. En is dat nu werkelijk onoverkomelijk? Is een second opinion niet gewoon een goed idee? Uiteindelijk gaat het om het Muziekgebouw. Dat is bij een machtsstrijd tussen initiatiefnemer (Wolff) en eigenaar (Amsterdam) in geen geval gebaat.