Moord op Van Gogh polariseert media

De moord op Theo van Gogh heeft geleid tot een verdere polarisatie in de maatschappij en dus ook in de politiek en de media. De verslaggeving bleef genuanceerd, maar de opinies werden wel scherper.

`Filmmaker Theo van Gogh vermoord', luidde de feitelijke openingskop van NRC Handelsblad op 2 november. De krant schetste Van Gogh als een ,,dwangmatig provocateur'' en ,,een getalenteerde nar''. Het hoofdredactioneel commentaar veroordeelde de aanslag op het vrije woord, maar riep ook op tot verdraagzaamheid.

In de dagen daarna kwamen vele aspecten aan de orde: de arrestaties van medeplichtigen, de bedreigingen aan het adres van Hirsi Ali en anderen, het internationale netwerk, het profiel van de aanvankelijk zo geïntegreerde – dader, de politieke gevolgen, reacties uit andere landen en nog veel meer.

In de eerste uren na de moord leek er nog consensus te bestaan. De koningin, de minister-president en de burgemeester van Amsterdam spraken eendrachtig over een aanslag op het vrije woord.

Vervolgens begon de discussie over de achtergronden van de moord en toen bleek al snel hoe verschillend journalisten het gebeurde interpreteerden. Die discussie liep gedeeltelijk parallel aan eerdere debatten over de moord op Pim Fortuyn, de integratie van allochtonen en de islam. Ook daar stonden al dan niet (neo)conservatieve `realisten' tegenover links-liberale softies. Sommigen rekenen een deel van de redactie van NRC Handelsblad tot die laatste stroming.

Beide kampen zagen in de moord op Van Gogh een bevestiging van hun gelijk. Neoconservatieven concludeerden dat men in het verleden harder had moeten optreden, links-liberalen zagen met lede ogen aan hoe bevolkingsgroepen scherper tegenover elkaar kwamen te staan.

Tegen die achtergrond smolt ook de consensus van de eerste uren weg. Voor de gematigden was Van Gogh niet alleen een vrolijke provocateur, maar ook iemand die het vrije woord misbruikte door joden, moslims en anderen te kwetsen met verwijzingen naar NSB, SS of gaskamers.

Ook buitenlandse commentatoren die kritiek hadden op al te naieve ideeën over de multiculturele samenleving, wezen op het ruwe woordgebruik dat in hun landen niet geaccepteerd zou worden. Een journalist van The New York Times had moeite met de vertaling van het woord `geitenneukers'. Zo mag je, zei hij tegen de Volkskrant, in Amerika een bevolkingsgroep niet aanduiden.

Pas toen meer feiten bekend werden, begon de internationale dimensie duidelijker te worden. Daarbij zijn twee motieven denkbaar: de strijd van fundamentalisten tegen afvalligen en de woede over de oorlog in Irak. De brief die de verdachte achterliet en die vooral op Hirsi Ali was gemunt, wijst vooral in de eerste richting. Maar het tegen Amerika, Europa en Nederland gerichte slot kan ook op een connectie met Irak wijzen.

Kranten beschrijven de polarisatie die sinds vorige week plaatsvindt, maar de vraag is welke rol ze zelf in dat proces spelen. Toen Trouw maandag prominent meldde dat Kamerlid Geert Wilders van de nieuwe `anti-islampartij' en Bart Jan Spruyt van de Burke-stichting moslims het grondrecht op eigen scholen wilden ontzeggen, zal dat deze bevolkingsgroep weinig vertrouwen hebben gegeven in de verzekering van hun burgerrechten. Dat Spruyt later verklaarde verkeerd begrepen te zijn – wat de betrokken redacteur bestrijdt – verandert niet veel aan de zaak. Het kwaad was geschied.

De meeste media waren zich bewust van het gevaar van wij – zij denken en interviewden opvallend veel Nederlandse moslims, veel meer dan vroeger gebruikelijk was. NRC Handelsblad was op dat punt zeer alert.

Behalve officiële vertegenwoordigers van moslimorganisaties kwamen ook scholieren, leraren, welzijnswerkers en politici aan het woord in reportages en opiniestukken. Er waren er die vonden dat Van Gogh het er zelf naar had gemaakt, maar de meerderheid toonde zich verontwaardigd over zijn dood, ook al voelden ze zich vaak gekwetst door zijn woorden.

Inmiddels is het debat alweer in een volgende fase. Nu gaat het niet alleen meer over het geweld van moslimextremisten, maar ook over de gewelddadige reacties daarop van autochtone zijde. Dat begon met kleine berichtjes over brandstichtingen bij moskeeën en islamitische scholen, maar inmiddels is sprake van een golf van aanslagen.

Doordat de media zich de laatste tijd terecht gericht hebben op het gevaar uit de hoek van moslimextremisten, was het geweld uit de donkere kelder van de westerse samenleving even op de achtergrond geraakt. Toch ligt het aantal racistisch-extremistische bedreigingen en geweldplegingen al jaren tussen de drie- en vierhonderd. Een groot deel daarvan is expliciet gericht tegen moslims.

Nu de geweldplegingen in aantal en ernst toenemen, is het nog meer dan vroeger zaak om stereotypen over de gevaarlijke islam en het verlichte Westen te vermijden. Als van moslims wordt gevraagd extremistische fanaten in eigen kring te weren, mag van de autochtonen worden geëist dat zij veel harder optreden tegen racistische spreekkoren in stadions, hakenkruisenretoriek op muren, aanslagen op asielzoekerscentra en brandbommen in scholen. Ook daar hebben de media in het verleden wel eens `weggekeken'.

Moet de escalatie van de afgelopen week tot meer voorzichtigheid in het onderlinge debat leiden? Vaststaat dat elke vorm van moslimextremisme hard moet worden bestreden, harder dan velen van ons tot voor kort dachten. Maar in debatten over de multiculturele samenleving of de islam moet ieder vooral zo schrijven en spreken als hij gebekt is. Laten de vrienden van Theo van Gogh zijn stijl van debatteren verdedigen, als ze maar niet anderen het recht ontzeggen om sommige uitingen van Van Gogh kwetsend te vinden. En moslims die vinden dat sommige critici van de islam te ver gaan, kan men slechts adviseren eerder naar de rechter te stappen om die te laten oordelen.

Piet Hagen, oud-hoofdredacteur van `De Journalist' blikt eens in de veertien dagen kritisch terug op de berichtgeving in NRC Handelsblad. Alle eerdere bijdragen op www.nrc.nl/krantachteraf.